(24372.001) Eindrapportage archeologisch bureauonderzoek NuLelie-project Gorredijk-Terwispel
收藏DataCite Commons2025-02-11 更新2025-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/XV2FWZ
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Gespecificeerde archeologische verwachting Voor het plangebied/tracé geldt een paleogeografische ontwikkeling waarbij gedurende de perioden (Laat) Paleolithicum t/m het Laat-Neolithicum sprake was van een al dan niet met dekzand bedekte grondmorenelandschap. Daarbij laat het hoogtebeeld zien dat de zuidoostelijke helft van het plangebied/tracé een relatief hoge ligging in het landschap heeft, een keileemplateau vormend, wat geaccentueerd wordt door het voorkomen van dekzandruggen/-koppen. De noordwestelijke helft van het plangebied/tracé ligt op de naar het westen/noordwesten toe aflopende flank van het keileemplateau, richting het laaggelegen veen-ontginningslandschap. Direct ten zuidoosten van het plangebied/tracé werd het grondmorenelandschap doorsneden door het iets lager gelegen/netto insnijdende stroomdal/beekdal van de voorloper van de Tjonger. Dit dekzand-/glaciale landschap vormde tijdens het (Laat-)Paleolithicum t/m het Laat-Neolithicum (zie tabel 2-4) een geschikt gebied voor het ontplooien van (tijdelijke) bewoningsactiviteiten door jagers-verzamelaars en vroege-landbouwers. Hierop kunnen vuursteenvindplaatsen/nederzettingsresten aanwezig zijn, waarbij de meest kansrijke plekken de zandruggen/-koppen en grondmoreneruggen betreffen, met name de gepodzoleerde. Als het zand namelijk voldoende lang droog geweest is voor podzolering, is het doorgaans ook geschikt geweest voor bewoning. Ook zones langs dobben werden waarschijnlijk gezien als geschikte locaties voor Steentijdbewoning. Voor de periode Laat Neolithicum is voor het uiterst westelijke en noordwestelijke deel van het plangebied/tracé de verwachting wel laag, omdat in deze periode al veengroei plaatsvond en dit natte/drassige landschap minder geschikt, zo niet ongeschikt zal zijn geweest voor het ontplooien van bewoningsactiviteiten. Archeologische resten uit de Steentijd zullen in de top van het dekzand/grondmorene vooral uit houtskoolspikkels bestaan. Dergelijke houtskooldeeltjes komen gewoonlijk in een ruime spreiding rond steentijd-vindplaatsen voor. Tevens dient rekening te worden gehouden met resten van vuursteenbewerking. Deze resten bestaan dan uit vuursteensplinters of afslagen. Dergelijke resten worden in het merendeel van het plangebied/tracé verwacht vanaf het maaiveld. Binnen het centraal-noordelijke, noordwestelijke en centraal-westelijke tot westelijke deel van het plangebied/tracé komen delen voor waar Steentijdresten relatief ondiep worden verwacht onder een moerige tussenlaag. In kleine delen binnen het noordwestelijke deel van het plangebied/tracé zullen eventueel aanwezige Steentijdresten afgedekt zijn door een (nog deels niet ontgonnen) veendek. Een drietal AMK-terreinen waar vuurstenen artefacten zijn aangetroffen uit het Laat-Paleolithicum en/of het Mesolithicum, liggen niet ver van het zuidoostelijke deel van het plangebied/tracé. Deze AMK-terreinen liggen binnen hogere delen van het dekzand-/grondmorenelandschap en nabij het oorspronkelijke/natuurlijke dal van de voorloper van de Tjonger, welke daarmee gezien werden als geschikte tijdelijke bewoningslocaties door jagers-verzamelaars. Tevens konden in/direct langs het stroomdal/beekdal van de voorloper van de Tsjonger specialistische activiteiten worden ontplooid. Hier kunnen zogenaamde beekdalgerelateerde resten in beekdalafzettingen en verlande/met veen opgevulde beekmeanders worden verwacht, maar vaak niet meer dan puntlocaties vormen (denk aan jacht op wild, gebruik van visfuiken in het beekdal). Eerder uitgevoerde archeologische begeleidingen van graafwerkzaamheden langs de Tjonger hebben vuursteenartefacten opgeleverd. Mogelijk dat een klein gedeelte van het zuidoostelijke deel van het plangebied/tracé een ligging heeft binnen het oorspronkelijke/natuurlijke dal van de voorloper van de Tjonger, waar dus beekdalgerelateerde resten nog kunnen worden verwacht. Deze kunnen een diepere liggen hebben, in en onderin verlande/met veen opgevulde beekmeanders. Organische resten zullen ook hier relatief goed geconserveerd zijn. Gedurende het Laat-Neolithicum vernatte het gebied in rap tempo, welke gepaard ging met de ontwikkeling van hoogveenvegetaties. Dit hoogveen breidde zich steeds verder uit, waardoor waarschijnlijk in de loop van Vroege en Midden Bronstijd het plangebied/tracé alleen nog kleine gebieden met hoger gelegen loofbos doorsneed, naast gebieden met elzenbroekbos (dekzandwelvingen) en hoogveengebieden (dekzandvlakten/-laagten en voormalige beekdalen). Rond 1500 v. Chr. (Midden Bronstijd) staken alleen nog enkele, meest hoog gelegen delen van het met dekzand bedekte grondmorenegebied (hoge dekzandrug-gen/-koppen) uit boven het hoogveenlandschap. Alleen een klein gedeelte binnen het uiterst oostelijke en het zuidwestelijke deel van het plangebied/tracé lijkt deze ligging te hebben gehad rond deze periode. Tijdens de perioden Late Bronstijd t/m de Vroege Middeleeuwen zal sprake zijn geweest van een uitgestrekt hoogveengebied/veenmoeras, waardoor voor deze archeologische perioden het plangebied/tracé ongeschikt zal zijn geweest voor bewoning. De eerste ontginningen van het gebied vonden plaats vanaf het begin van de Late Middeleeuwen. Veen-ontginningen vonden ook veelal plaats vanuit veenriviertjes, zoals De Tjonger. Er ontstonden in het veen-ontginningsgebied kleine dorpen, welke vaak als streekdorpen of wegdorpen worden aangeduid. Zo bestond het boerendorp/buurtschap Kortezwaag al in de 11e en 12e eeuw, waar het centraal-noordwestelijke deel van het plangebied/tracé langs loopt. De dorpskern van Gorredijk is aangewezen als AMK-terrein en is tevens voorzien geweest van in 1672-1673 aangelegde verdedigingswerken en vormde onderdeel van de Friese Waterlinie. Onderhavig plangebied/tracé loopt echter niet door delen waar de schans heeft gelegen. Ook de zogenaamde woudstroken op de hoger gelegen zandruggen waren ook al in de Late Middeleeuwen grotendeels ontgonnen voor het verbouwen van gewassen (woudontginningen). Woudstroken bevinden zich in de zuidoostelijke helft van het plangebied aan weerszijden van de huidige Schoterlandseweg. De hoogveenontginning langs het gedeelte van de Schoterlandse Compagnonsvaart waar delen van het centraal-oostelijke, oostelijke en zuidelijke deel van het plangebied/tracé langs loopt, heeft gedurende de 17e en 18e eeuw plaatsgevonden. Langs de dwars op de vaart gelegen wijken hebben turfstekers gewoond, zogenaamde wijkers, welke regelmatig moesten verhuizen naar nieuwe delen waar turf kon worden gestoken. Het plangebied/tracé loopt verder door verschillende van deze kleine dorpen, gekenmerkt door lintbebouwing/boerenerven langs een enkele doorgaande weg. Archeologische resten en sporen uit de perioden Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen vooral worden verwacht ter hoogte van waar het plangebied/tracé door streekdorpen/wegdorpen loopt (Terwispel, Lip-penhuizen, Vosseburen, Haneburen, Jubbega, Hoornsterzwaag, Jobbega-Schurega, Oudehorne, Nieuwe-horne, Bontebok, Kortezwaag, Nieuwe Vaart, Langezwaag en De Knipe), als waar het plangebied/tracé langs de huidige Schoterlandseweg en de Schoterlandse Compagnonsvaart loopt. Sporen/structuren bestaan dan uit funderingen, houten palen, paalkuilen, water- en of beerputten en sloten. Deze kunnen worden aangetroffen onder de huidige bouwvoor en kunnen tot grote diepte doorlopen. Vondstmateriaal kan bestaan uit aardewerk, glas, metaal, hout en bouwkeramiek (zoals bakstenen, plavuizen en dakpannen). Deze kunnen al vanaf het maaiveld/direct onder de bouwvoor worden verwacht. Conclusie Het bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied/tracé mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. In de top van de Pleistocene dekzand-/grondmoreneafzettingen, als onderste potentieel vondstniveau, kunnen Steentijdvindplaatsen (jagers-verzamelaars/vroege-landbouwers) worden aangetroffen, waarbij zandruggen/-koppen, grondmoreneruggen en mogelijk ook zones langs dobben de meest kansrijke plekken betreffen. Beekgerelateerde resten kunnen ook nog worden aangetroffen in een klein gedeelte van het zuidoostelijke deel van het plangebied/tracé dat een ligging heeft binnen het oorspronkelijke/natuurlijke dal van de voorloper van de Tjonger. Voor de perioden Late Bronstijd t/m Vroege Middeleeuwen is de verwachting laag voor het gehele plangebied/tracé. Verder kunnen er resten en sporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen worden aangetroffen, gekoppeld aan de veenontginningen van het gebied. Het gaat vooral om woon-/boerenerven die verwacht worden ter hoogte van waar het plangebied/tracé door streekdorpen/wegdorpen loopt en langs de huidige Schoterlandseweg, waar (boeren)erven hebben gelegen met hierlangs zogenaamde woudgronden. Waar binnen kleine delen in het noordwestelijke deel van het plangebied/tracé nog sprake is van een (restant van een) veenpakket, kan sprake zijn van mogelijk twee vondstniveaus. Voor het noordoostelijke, centrale en zuidwestelijke deel van het plangebied/tracé geldt wel een lage verwachting voor de perioden Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd tot in ieder geval in de tweede helft 17e eeuw, omdat hier in deze periode nog sprake was van hoogveen. Tijdens de navolgende periode heeft hier turfwinning plaatsgevonden. Ter hoogte van het gedeelte van het plangebied/tracé langs het gedeelte van de Schoterlandse Compagnonsvaart kunnen dan ook specifiek restanten van bewoning van turfstekers verwacht. Advies Geadviseerd wordt binnen het plangebied/tracé een inventariserend veldonderzoek door middel van een karterend booronderzoek (KNA protocol 4003, IVO-O) te laten uitvoeren. Omdat het plangebied/tracé een lijnvormig element betreft, wordt geadviseerd de boringen in één boorraai te zetten over de hartlijn van de open ontgraving van het geplande kabeltracé, en met een afstand van 25 meter tussen de boringen. De exacte locatie van het geplande kabeltracé, als ook waar elektriciteitskabels zullen worden aangelegd in een open ontgraving en waar middels gestuurde boringen, dient eerst door de initiatiefnemer te worden bepaald. Door middel van het booronderzoek wordt inzicht verkregen in de toestand van het bodemprofiel en de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen (die zichtbaar zijn als bodem-verkleuringen). Van het opgeboorde materiaal dient de laag/dienen de lagen waarin archeologische indicatoren meest waarschijnlijk kunnen worden verwacht, tevens te worden doorzocht op archeologische indicatoren door het te zeven met behulp van een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Het zeefresidu dient geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. Door middel van het karterend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied/tracé archeologische resten in situ te verwachten zijn.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2025-02-10



