Bureauonderzoek, Verkennend en Karterend Booronderzoek Archeologie Plangebied Polweidepad te Eibergen Gemeente Berkelland
收藏Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-x9y-cmj9
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Hamaland Advies heeft in overleg met PlanBuro Oosterink in opdracht van Aannemingsbedrijf Gerritsen (perceel oost) en dhr. B. de Baar en mw. H. Arts (perceel west) een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor de Rijndijk naast nummer 33 te Millingen aan de Rijn. De aanleiding voor het onderzoek betreft de bouw van twee tiny houses en de aanleg van een poel en nutsvoorzieningen met een totale oppervlakte van 1.000 m². De oppervlakte van beide tiny houses bedraagt in totaal 72 m². De oppervlakte van het perceel waarop de ontwikkelingen plaats zullen vinden bedraagt 2.670 m² en betreft het plangebied voor het bureauonderzoek en booronderzoek. De toekomstige verstoringsdiepte is vooralsnog onbekend.Op de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Berg en Dal uit 2003 ligt het plangebied op de stroomgordel van Ressen (relatief hoog gelegen) en betreft het een historische woonkern. In het bestemmingsplan Kern Millingen aan de Rijn heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2. Voor gronden met deze waarde geldt de verplichting voor archeologisch vooronderzoek wanneer de oppervlakte van het plangebied groter is dan 100 m² en de bodemingrepen dieper dan 30 cm-mv reiken.Bureauonderzoek Het bureauonderzoek toont aan dat het plangebied een hoge trefkans heeft op archeologische resten uit de periode vanaf de IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd. Voor de Tweede Wereldoorlog geldt een lage verwachting. De periodes daarvoor (Laat-Paleolithicum, Mesolithicum, Neolithicum en Bronstijd) hebben een lage trefkans in verband met actieve fases van de stroomrug en de mogelijke verspoeling van oudere afzettingen.Op basis van het bureauonderzoek is er in het plangebied sprake van stroomgordelafzettingen van de Leuth (actief gedurende de periode Late Bronstijd – Midden IJzertijd) of van de Ressen (actief gedurende de periode Mesolithicum – Midden IJzertijd). In de stroomgordelafzettingen heeft zich een kalkhoudende ooivaaggrond of een kalkhoudende poldervaaggrond ontwikkeld.Op basis van het historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied waarschijnlijk vanaf 1850 deels bebouwd is geweest. Vanaf 1966 is op de kaarten duidelijk zichtbaar dat er sprake is van bebouwing, welke op de kaart van 1972 niet meer aangegeven is. Het plangebied is vanaf dat moment onbebouwd gebleven.Booronderzoek Binnen het plangebied is sprake van een tweedeling in bodemopbouw. In het oostelijke deel is sprake van een bouwvoor en opgebrachte dijkverzwaring tot circa 55 à 60 cm-mv. Scherp daaronder is sprake van beddingafzettingen van de stroomgordel van de Ressen of Leuth.In het westelijk deel is sprake van een bouwvoor en dijkverzwaring tot minimaal 105 cm-mv en maximaal 135 cm-mv. Scherp hieronder is een cultuurlaag aangetroffen die bestaat uit matig humeuze, matig zandige, kalkrijke klei waarin baksteenbrokken voorkomen. De cultuurlaag gaat op een diepte van minimaal 160 cm-mv en maximaal 170 cm-mv geleidelijk over in zwak zandige klei. Boring 4 is op 150 cm-mv gestuit op funderingsresten. De aangetroffen baksteenbrokken zijn handgevormd en oranje van kleur, waardoor hieraan een zekere ouderdrom toegekend kan worden. De kleiafzettingen zijn geïnterpreteerd als oeverafzettingen van de stroomgordel van de Ressen of Leuth. De oeverafzettingen gaan op minimaal 260 cm-mv geleidelijk over in grofzandige beddingafzettingen van hetzelfde stroomgordelsysteem.Selectieadvies In het westelijk deel van het plangebied, ter plaatse van boring 4, 5 en 6, bevinden zich archeologische resten in de ondergrond. Indien de bodemingrepen beperkt blijven tot maximaal 100 cm-mv is vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Vervolgonderzoek wordt hier wel noodzakelijkgeacht wanneer bodemingrepen dieper dan 100 cm-mv reiken. Het advies is om hier, afhankelijk van de aard van geplande bodemingrepen, een proefsleuvenonderzoek of archeologische begeleiding (conform protocol Opgraven) uit te voeren.In het oostelijk deel van het plangebied (boring 1, 2 en 3) zijn geen archeologisch relevante lagen aanwezig. Hamaland Advies adviseert derhalve om dit deel van het plangebied in zijn geheel vrij te geven voor de geplande ontwikkelingen.Selectiebesluit Op 11 april 2019 is het rapport en het selectieadvies getoetst door dhr. P. Franzen namens gemeente Berg en Dal. Het door Hamaland Advies opgestelde selectieadvies is onderschreven. In het westelijk deel van het plangebied komt mogelijk een archeologische vindplaats voor en indien bodemingrepen op deze locatie niet dieper gaan dan 100 cm-mv is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Voor een beperkt aantal heipalen kan, in overleg, een uitzondering gemaakt worden.Indien de bodemingrepen dieper dan 100 cm-mv reiken, is vervolgonderzoek in het westelijk deel wel noodzakelijk. Dit kan in de vorm van een archeologische begeleiding conform protocol opgraven of door middel van een proefsleuvenonderzoek met een mogelijke doorstart naar een opgraving. Voor beide vormen van vervolgonderzoek dient een vooraf door het bevoegd gezag (gemeente Berg en Dal) geaccordeerd Programma van Eisen opgesteld te worden.Voorbehoud Bovenstaand advies vormt een zogenaamd advies. Met nadruk wijst Hamaland Advies erop dat dit selectieadvies nog niet betekent dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen.Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen.Verder dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (Erfgoedwet 1-7-2016, art. 5.10 en 5.11) kenbaar te worden gemaakt, om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister”. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort en de Regioarcheoloog (drs. P. Franzen), adviseur van de gemeente Berg en Dal.
创建时间:
2024-01-31



