Plangebied begraafplaats kerkeinde te Sleeuwijk, gemeente Werkendam (NB.) archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en IVO (kartererende fase)
收藏DANS Data Station Archaeology2007-07-08 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-XPS-ZQ3E
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>Het plangebied past goed binnen het ruimere landschappelijke kader van het Nederlandse rivierenlandschap, dat gekenmerkt wordt door stroomruggen en oeverwallen die wegens hun hogere ligging en bijgevolg betere waterhuishouding in het verleden vaak werden (her)gebruikt. In deze gebieden is dan ook vaak sprake van een grote sporenen vondstdichtheid. De omvang en aard van de archeologische vondsten doet niet vermoeden dat in het plangebied sprake is van een duidelijke archeologische vindplaats, althans niet binnen 2 m -Mv. Het is goed mogelijk dat er nog archeologische resten dieper in de bodem aanwezig zijn, maar deze sites worden niet bedreigd aangezien de verstoring van de bodem zal plaatsvinden tot maximaal 1 m -Mv. Op basis van het bureauonderzoek en de gehanteerde veldmethode wordt het niet nodig geacht een archeologisch vervolgonderzoek aan te bevelen. Tenslotte wordt opgemerkt dat eventuele vondsten gedaan tijdens bijvoorbeeld planuitvoering onder de informatieplicht vallen, zoals vastgesteld in art. 47 van de Monumentenwet (1988). Met betrekking tot deze bevindingen en aanbevelingen, dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag: de gemeente Werkendam of drs. M. Parlevliet van Regio Bureau Breda (076-5294183). 5 Appendix Deze paragraaf is toegevoegd op uitdrukkelijk verzoek van het bevoegd gezag, drs. M. Parlevliet. Uit zowel het bureauonderzoek als de resultaten van het booronderzoek blijkt dat sprake is van een zeer dynamisch rivierensysteem in het plangebied. De stratifgrafische opvolging van zand op klei zonder de aanwezigheid van veenlaagjes duidt op een zeer dynamisch rivierensysteem, waarbij de loop van de desbetreffende stroom zich vaak heeft verlegd en de stroom regelmatig buiten zijn oevers treedt. Menselijke bewoning in het plangebied op dit moment lijkt dan ook onwaarschijnlijk. Pas vanaf het moment dat de opbouw van de stroomrug stagneert, wordt deze geomorfologische eenheid aantrekkelijk voor bewoning. Het plangebied past goed binnen het ruimere landschappelijke kader van het Nederlandse rivierenlandschap dat gekenmerkt wordt door stroomruggen en oeverwallen die wegens hun hogere ligging en bijgevolg betere waterhuishouding in het verleden vaak werden (her)gebruikt als vestigingsplaats. Archeologische vindplaatsen in deze gebieden kenmerken zich doorgaans dan ook door duidelijke cultuurlagen, gekenmerkt door een grote sporenen vondstdichtheid, zoals aardewerk, vuursteen, verbrand en onverbrand bot, fosfaat en humusrijke pakketten. Vaak bevatten ze indirecte archeologische indicatoren zoals houtskool en verbrande leem. In het plangebied zijn tijdens het veldonderzoek 3 mogelijke archeologische indicatoren aangetroffen, die evenwel te fragmentair van aard waren om te bewaren. Het betreft 2 fragmentjes verbrande leem en een spikkel houtskool. Gelet op hun karakter en de context waarin ze zijn aangetroffen, zijn deze indicatoren waarschijnlijk secundair. Meer bepaald betekent dit dat ze geen directe aanwijzing vormen voor een antropogene oorsprong en bijgevolg menselijke bewoning in het plangebied. Zonder bijkomende vondsten, zoals keramiek, botmateriaal, vuursteen en fosfaat, is het zeer moeilijk om met betrekking tot de landschappelijke context van het plangebied een antropogene oorsprong aan deze indicatoren toe te wijzen. Houtskool en verbrande leem kennen immers ook een natuurlijke oorsprong als gevolg van blikseminslag of bosbrand en dienen bijgevolg in dit geval ook in die context te worden begrepen. Al te verregaande conclusies met betrekking tot archeologische vindplaatsen worden in dat opzicht misleidend en zelfs gevaarlijk (Groenewoudt, 1994). Gelet op het vondstenspectrum in het plangebied zijn er geen markante aanwijzingen aangetroffen die kunnen wijzen op een archeologische vindplaats binnen 2 m -Mv. Op basis van het bureauonderzoek en de resultaten van het veldonderzoek wordt het niet nodig geacht een archeologisch vervolgonderzoek aan te bevelen.</p>
提供机构:
RAAP Archeologisch Adviesbureau
创建时间:
2007-07-09



