Archeologisch vooronderzoek in het kader van de nieuwbouw van een schuur aan de Schoolstraat 30 te Langeweg, gemeente Moerdijk
收藏DANS Data Station Archaeology2019-12-03 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-ZXH-JFUX
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>Vestigia Archeologie en Cultuurhistorie heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in het kader van de geplande nieuwbouw op het perceel van de Schoolstraat 30. Het plangebied heeft een oppervlakte van 600 m2 en is in gebruik als tuin en braakliggende grond. Het exacte inrichtingsplan is momenteel nog onbekend. Het verstoringsoppervlak en de verstoringsdiepte liggen op dit moment dus nog niet vast, maar gezien de aard van de ingrepen zullen de geplande ingrepen naar verwachting tot in archeologisch relevante niveaus reiken.</p><p>Doel van het archeologisch vooronderzoek was vast te stellen of er in het plangebied sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de ingrepen verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk, uitspraken te doen over de waarde hiervan in termen van fysieke en inhoudelijke kwaliteit zoals zeldzaamheid en gaafheid. Hiertoe is eerst een bureauonderzoek uitgevoerd, op basis waarvan voor het plangebied een specifiek archeologisch verwachtingsmodel is opgesteld. Op basis van de resultaten van het onderzoek is tenslotte een advies geformuleerd in het kader van de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), protocol 4002 Bureauonderzoek.</p><p>Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied op (een uitloper van) een dekzandrug ligt. Hierdoor is het aannemelijk dat het gebied hoog en droog bleef terwijl de omgeving te nat voor bewoning werd. Binnen het plangebied is daarom een hoge archeologische verwachting voor de periodes Laat-Paleolithicum tot aan de IJzertijd. De top van dit dekzand ligt waarschijnlijk binnen 1,60 m beneden het maaiveld. De mogelijke archeologische sporen en vindplaatsen kunnen uiteenlopen van tijdelijke jachtkampjes van jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum/Mesolithicum tot nederzettingsterreinen uit de periode Neolithicum t/m de IJzertijd. Tot de eerste vondstcategorie behoren voornamelijk vondsten van bewerkt vuursteen; tot de tweede categorie behoren o.a. grondsporen van structuren zoals boerderijen, bijgebouwen, sloten, greppels en afvalkuilen, en vondsten van o.a. aardewerk, bot en metaal. <br>Na de IJzertijd verveende de omgeving van het plangebied en werd het te nat voor bewoning. In de Late Middeleeuwen (na de Sint Elisabethsvloed van 1421) lag het plangebied vermoedelijk op of aan de rand van een getij-oeverwal, waardoor het plangebied weer relatief hoog gelegen en goed bewoonbaar was. Concrete aanwijzingen voor historische bebouwing uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd binnen het plangebied zijn op basis van het historisch kaartmateriaal echter niet aangetroffen. De kans hierop wordt daarom als laag ingeschat. Binnen het plangebied zijn geen ondergrondse en bovengrondse bouwhistorische waarden bekend.</p><p>De recent gesloopte bebouwing heeft voor verstoring van de ondergrond gezorgd. In hoeverre dit eventueel intacte archeologisch relevante lagen heeft verstoord is niet duidelijk.</p><p>Advies<br>Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek adviseert Vestigia het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen door middel van een verkennend booronderzoek. Een verkennend onderzoek wordt doorgaans uitgevoerd met een dichtheid van 8 boringen per hectare. Gezien het beperkte oppervlak van het plangebied zou dit neerkomen op 1 boring. Om toch een representatief beeld te krijgen wordt geadviseerd om (met inachtneming van verharding en kabels en leidingen binnen het plangebied) in een gelijkbenig grid drie boringen te zetten. Deze boringen dienen te worden gezet tot de verwachte verstoringsdiepte + 25 cm (maximaal 3 m + 0,25 m = 3,25 m-mv, uitgaande van een standaard onderkeldering), of tot 25 cm in de top van het dekzand. </p><p>Het bevoegd gezag, de gemeente Moerdijk, kan op basis van dit advies een besluit te nemen ten aanzien van eventueel vervolgonderzoek. Ook wanneer het bevoegd gezag besluit dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en (delen van) het plangebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Moerdijk, en bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.</p>
提供机构:
Vestigia
创建时间:
2019-12-04



