five

A-22.0328: Tilburg, Bosscheweg 158 Een erf uit de midden-ijzertijd met een vurig eynde Een archeologische opgraving in plangebied Bosscheweg 158, gemeente Tilburg

收藏
DataCite Commons2026-02-20 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/OMOUN8
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
<p>BAAC heeft van 13 t/m 16 juni 2022 in opdracht van Honk bv een opgraving uitgevoerd in het plangebied Bosscheweg 158 te Tilburg. Tijdens het onderzoek zijn in totaal drie opgravingsputten met een totale oppervlakte van 1838 m2 onderzocht. De aanleiding voor het archeologisch onderzoek is de voorgenomen realisatie van nieuwbouw waarbij eventueel aanwezige archeologische resten verstoord kunnen worden. Het plangebied ligt in de Roerdalslenk, een gebied dat deel uitmaakt van het centrale dekzandlandschap, gevormd tijdens het Weichselien door eolische processen en zandverstuivingen. Met de komst van een milder klimaat ontstonden meanderende beken, zoals de Korvelse Waterloop-Voorste Stroom, die zand en klei in de beekdalen afzetten en lokaal veenvorming veroorzaakten. Hoewel de vegetatie de natuurlijke zandverstuivingen verminderde, leidden menselijke activiteiten zoals kappen en ontwatering tot nieuwe verstuivingen. Het plangebied ligt op een dekzandrug, waarvan de hoogte door menselijke ingrepen is beïnvloed, maar de landschappelijke structuur blijft zichtbaar. Oorspronkelijk zal er een moderpodzol zijn ontstaan, maar de bodemvorming is voornamelijk antropogeen, met verploeging en bemesting als belangrijke factoren. Vanaf de 16e of 17e eeuw vond plaggenbemesting plaats, wat resulteerde in een plaggendek van 60 tot 90 cm dik. Dit plaggendek varieert in kleur, afhankelijk van het type plag dat is gebruikt. Een oude akkerlaag, die in ieder geval tot in de 15e of 16e eeuw bewerkt werd, is nog deels zichtbaar onder het plaggendek en wordt gekenmerkt door een gebioturbeerde, lichtgrijsbruine laag. Deze is op hogere delen minder aanwezig en opgenomen in het plaggendek. In de oude akkerlaag is niet al.een de natuurlijke bodem door verploeging opgenomen, maar ook het maaiveld uit de tijd dat het plangebied in de midden-ijzertijd bewoond werd. Binnen het plangebied bevindt zich een erf dat waarschijnlijk tussen 500 en 450 voor Chr. is bewoond en door een brand aan zijn einde is gekomen. Het gaat hierbij om een erf met een tweebeukig hoofdgebouw (huis 1) van 17,3 bij 7,0 m van het type Oss-Ussen 4. Op enige afstand ervan bevinden zich minstens vijf spiekers die gedurende het bestaan van het erf al dan niet na elkaar in gebruik zijn geweest. Het zijn vierpalige spiekers, waarvan vier vierkant en één rechthoekig. De laatste behoort mogelijk tot een jongere fase van het erf. De algehele oriëntatie van de inrichting is noordoost-zuidwest, overeenkomstig met de richting van de dekzandrug. Hoewel de sporendichtheid in alle richtingen af lijkt te nemen en het woonhuis en de bijgebouwen zich midden in het onderzoek bevinden, is niet zeker of het hele erf binnen het onderzoek begrensd is. Verspreid bevinden zich aan de met name de oostelijke en westelijk randen van het onderzoek antropogene sporen, maar deze zijn niet toe te kennen aan gebouwen. Het is daarom mogelijk dat er nog bewoningssporen doorlopen. Van een begrenzing van het erf door middel van greppels is binnen het onderzoeksterrein geen sprake. Het tweebeukige huis vertoont kenmerken van het huistype Oss-Ussen 4, maar er missen veel paalsporen. Halverwege de lange zijden zijn tegenover elkaar gestelde ingangen te verwachten, maar hiervan zijn mogelijk alleen eenzijdig dubbele deurstijlen teruggevonden. Eventuele her- of verbouwingen aan het huis zijn niet vast te stellen. Ook bij de reconstructie van de verdere inrichting van het erf wordt bemoeilijkt door de wijze waarop de sporen bewaard zijn gebleven of hoe diep de palen in de bodem stonden. Hoewel sommige palen redelijk diep ingegraven zijn, kunnen er niet meer dan de vijf spiekers uit de sporenclusters herleid worden. Direct ten noordwesten van het huis bevindt zich een voorraadkuil (S1010), waarvan de oorspronkelijke inhoud niet meer is aangetroffen of vastgesteld. De kuil is gevuld met diverse nederzettingsafval, voornamelijk scherven van minstens 33 potten; onderin is een donkere laag met houtskool aangetroffen. Het aardewerk is relatief goed geconserveerd en weinig gefragmenteerd. Een andere categorie vondsten uit kuil S1010 bestaat uit fragmenten van verbrande leem, mogelijk restanten van bouwmateriaal of van een oven of haard die zich in of nabij het huis bevond.<br>Opvallend is dat deze en sommige scherven secundaire brandsporen vertonen die doorlopen op het breukvlak, wat suggereert dat de scherven tijdens een brand zijn gebroken. Het lijkt erop dat het naastgelegen huis door brand is verwoest. Na de brand is het terrein opgeruimd en zijn de brandresten, waaronder een groot deel van de huisraad, in de kuil gedeponeerd. Deze brand verklaart ook waarom sommige paalsporen in het zuidwestelijk deel van het huis een donkere, gevlekte vulling met houtskool vertonen. Tijdens het opruimen zijn ook hier brandresten in terechtgekomen. Voor de oorzaak van de brand zijn er geen directe aanwijzingen. In kuil S1010 is wel mestslak aangetroffen, wat ontstaat wanneer mest als brandstof wordt gebruikt en de resulterende as verglaast bij temperaturen van 1200-1300 °C. Mestslak kan ook ontstaan door blikseminslag in een mestvaalt. Het is mogelijk dat dit of een ander ongeluk de oorzaak van de brand is geweest. Een andere mogelijkheid is dat de brand en/of het opruimen deel uitmaakten van verlatingsrituelen. Bij de verdere ontmanteling van het erf lijken in één paalkuil van het huis en in één paalkuil van een spieker bewust grote hoeveelheden aardewerk te zijn gedeponeerd. Dit zijn doorgaans aanwijzingen voor een verlatingsritueel.<br>Het nederzettingsafval in kuil S1010 verschaft ons belangrijke informatie over de materiële cultuur en de datering van het erf. In de kuil zijn 572 scherven van minimaal 33 potten aangetroffen (5.9 kg). Onder deze scherven zijn verschillende typen te onderscheiden, waaronder tweeledige voorraadpotten, met inbegrip van drie tonvormige exemplaren en drie hoge kommen of schalen. Het aangekoekte materiaal aan de buitenzijde van deze potten suggereert dat zij ook zijn gebruikt als kookpotten. De meeste scherven zijn hoofdzakelijk verschraald met potgruis en zand en zijn te dateren tussen 500 en 250 voor Chr. Naast het wat meer gangbare aardewerk zijn in de kuil scherven van dun gepolijst aardewerk geïdentificeerd, waarvan één exemplaar behoort tot het zeldzame pottype 73b. Dit specifieke vormtype vertoont overeenkomsten met aardewerk uit de Champagne-regio (Noord-Frankrijk), dat dateert uit de proto-Marne-fase en dateert in fase E. De scherven van dun gepolijst aardewerk kunnen met een relatieve nauwkeurigheid worden gedateerd tussen 500 en 450 voor Chr. Deze datering in het begin van de middenijzertijd geeft een goede indicatie wanneer het erf bewoond moet zijn geweest (bovendien door mensen die kennelijk in staat waren om in het bezit te komen van dit zeldzame aardewerk). Het type plattegrond van huis 1, Oss-Ussen 4, komt vanaf de midden-ijzertijd voor en sluit goed aan bij deze datering. Het is aannemelijk dat de bewoners zelf hun wol hebben gesponnen. In kuil S1010 is ook namelijk een lemen spinklosje aangetroffen. In dit verband zouden interne paalzettingen binnen huis 1 een aanwijzing kunnen zijn voor de verdere verwerking van de gesponnen draden. Twee op een meter afstand van elkaar geplaatste palen in het zuidwestelijke deel van het huis zouden een aanwijzing kunnen zijn dat hier een weefgetouw heeft gestaan. Dit blijft echter een aanname die niet kan worden geverifieerd. Naast het luxere vaatwerk uit de Champagne-streek is ook de aanwezigheid van briquetageaardewerk het resultaat van langere-afstands-contacten. Met deze zoutvaatjes werd in het kustgebied zout gewonnen, waarna ze als container gebruikt werden om verder te verhandelen en transporteren. Fragmenten ervan zijn aangetroffen in paalkuilen van huis 1 en spieker 6. Na bewoning in de midden-ijzertijd heeft het terrein lange tijd braak gelegen of is er geakkerd. Dit vond plaats tot de 15e of 16e eeuw, waarbij oudere bodemlagen zijn geaccumuleerd. Verder gebruik van het terrein was beperkt. Aan de zuid- en oostrand zijn enkele kuilen en paalkuilen gevonden die ouder zijn dan het plaggendek. In het midden van het terrein zijn geen jongere sporen aangetroffen, al is er mogelijk net buiten het terrein een groter gebouw geweest. Karrensporen wijzen op incidenteel gebruik van karren. De oriëntatie van de sporen komt overeen met historische perceelstructuren, zoals zichtbaar op een kaart uit 1760 van Diederik Zijnen. Het terrein grenst aan het Pelgrimspad, een historische route die mogelijk al vóór de 16e eeuw bestond. De sporen kunnen verband houden met oude paden die het Pelgrimspad met nabijgelegen routes verbonden.</p>
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2026-02-20
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务