five

Laatmiddeleeuwse bewoning langs de Hogeweide. Archeologisch onderzoek wegens de verlegging van de Waterleiding Rijn-Kennemerland

收藏
DANS Data Station Archaeology2005-02-27 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-XA9-QAD9
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
<p>Ten westen van Utrecht wordt sinds enkele jaren gewerkt aan de realisatie van de VINEX-locatie Leidsche Rijn. In 1993 is er in dit gebied een grootschalig archeologisch boor- en karteringsonderzoek uitgevoerd, waarbij ondermeer langs de weg de Hogeweide een ca. 300 m lang laatmiddeleeuws bewoningslint werd aangetroffen. De afgelopen jaren hebben er op verscheidene percelen langs de Hogeweide proefonderzoeken plaatsgevonden, waaruit bleek dat het bewoningslint een aanzienlijk grotere omvang heeft dan in 1993 kon worden vastgesteld. Over een lengte van 1300 m werden sporen uit de twaalfde tot en met twintigste eeuw aangetroffen. Het bewoningslint lag op grond die vermoedelijk in bezit van drie Utrechtse kapittels was. Uit de proefonderzoeken was reeds gebleken dat op minstens twee plekken binnen het bewoningslint reeds kort na 1300 luxe uitgevoerde steenbouw verrees. Waarschijnlijk waren op deze percelen kapitteluithoven gesitueerd. Dit waren luxe boerderijen van waaruit de kapittels hun landerijen beheerden.</p><p>Leidsche Rijn wordt doorsneden door drie grote pijpleidingen, waardoor water wordt getransporteerd van de Rijn naar het duingebied Kennemerland. In het najaar van 2002 en het voorjaar van 2003 zou één van deze buizen worden vervangen door een nieuwe buis, gelegen op een andere plek. Het tracé van deze nieuwe leiding zou drie archeologische vindplaatsen in Leidsche Rijn doorsnijden, waaronder het laatmiddeleeuwse bewoningslint langs de Hogeweide. In 2002 is daarom op de drie locaties archeologisch onderzoek verricht. In mei en juni van dat jaar is het bedreigde deel van het bewoningslint langs de Hogeweide onderzocht (LR33; afb. 1). Afgezien van het 6 m brede leidingtracé diende tevens een 15 m breed cunet ten behoeve van een tijdelijke bouwweg onderzocht te worden. Binnen deze 15 m brede strook vielen twee smalle stroken die reeds eerder archeologisch waren onderzocht (LR15-I en LR15-II). </p><p>De drie onderzoeken leverden vele sporen uit de twaalfde eeuw op. De zone met sporen strekte zich uit tot een afstand van 63 m vanaf de Hogeweide, met een concentratie binnen een afstand van 37m vanaf deze weg. Op basis van de aangetroffen aardewerkscherven kan de bewoning tussen 1100 en 1175 na Chr. gedateerd worden. Er zijn geen aanwijzingen dat op het onderzochte perceel ooit daadwerkelijk boerderijen hebben gestaan. Waarschijnlijk lag deze bewoning ten zuiden van het onderzoeksterrein, richting de 60 m zuidelijker gelegen - en in de twaalfde eeuw nog functionerende - Oude Rijn. Wel maakte het onderzochte perceel waarschijnlijk onderdeel van een boerderijerf uit. </p><p>Op basis van de spoorversnijdingen en de mate van archeologische vervuiling van de sporen is een fasering aangebracht. In fase I ontstond een door greppels omgeven perceel. Eén van deze greppel bevond zich langs de zuidelijke rand van een Romeinse restgeul in de ondergrond, die toen waarschijnlijk nog als een depressie zichtbaar was. Op het omgreppelde perceel werden diverse grillig gevormde kuilen en paalkuilen gegraven, waarvan de functie niet duidelijk is. Net buiten het perceel werden in deze eerste fase twee langwerpige kuilen gegraven. In de tweede fase werden de greppels vervangen door nieuwe. Bovendien werd er een derde greppel gegraven ten westen van het perceel, waardoor het in gebruik zijnde areaal werd vergroot. De sporen uit fase II waren zeer divers van karakter en bestonden uit lange kuilen en paalkuilen. Het bleek niet mogelijk op basis van de paalkuilen een deel van een plattegrond te reconstrueren. Ten westen van het in gebruik zijnde perceel werd in deze fase een waterput aangelegd. In de derde fase waren de greppels uit fase II niet meer in gebruik. Er werd nu slechts één greppel gegraven, en wel aan de westzijde. Daardoor werd het erf wederom vergroot. De sporen op het perceel uit fase III bestonden uit merkwaardig rondlopende, wandgreppel-achtige sporen, een kuil met schelpenafval en enkele paalkuilen. Vier paalkuilen behoorden tot een rechthoekige spieker, bedoeld voor de opslag van de oogst. Op de kleiige vulling van de Romeinse restgeul werden in deze periode enkele rechthoekige kuilen gegraven. In de laatste fase lijken de activiteiten op het perceel beperkt te zijn geweest tot het graven van enkele grote, langwerpige kuilen. Deze lagen bijna alle op de vulling van de Romeinse restgeul. In veel opzichten komen ze overeen met die van andere laatmiddeleeuwse nederzettingen uit het middennederlandse rivierengebied. De kuilen lijken een zeer specifieke functie te hebben vervuld. Tijdens geen enkele opgraving is deze functie echter met zekerheid vastgesteld. In fase IV werd er tevens aan de westzijde een nieuwe perceelsgreppel gegraven, die gedeeltelijk over die uit de vorige periode heen lag. Na de twaalfde eeuw bleef het onderzochte perceel waarschijnlijk nog wel in gebruik als landbouwgrond, wat de vondst van enkele jongere scherven verklaart.</p>
创建时间:
2005-02-28
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务