five

Plangebied 380 kV-hoogspanningsverbinding traject Gebied Zuid, Diemen - Hollandse brug te Diemen, Weesp, Muiden en Muiderberg, gemeente Diemen, Amsterdam en Gooise Meren.

收藏
DataCite Commons2025-01-23 更新2025-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/21DHQF
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
In opdracht van Witteveen + Bos heeft RAAP in oktober 2024 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied 380 kV-hoogspanningsverbinding traject Gebied Zuid, Diemen - Hollandse brug te Diemen, Weesp, Muiden en Muiderberg in de gemeente Diemen, Amsterdam en Gooise Meren. Het onderzoek vond plaats in het kader van een omgevingsvergunning. Op grond van de onderzoeksresultaten en onder verwijzing naar de doelstellingen, kunnen de volgende uitspraken worden gedaan: • Vanaf hoogtes van 2 tot 9 m -NAP (0,14/1,75 tot 7,14/8,75 m -mv) – aflopend van oost naar west – kunnen resten aanwezig zijn van tijdelijke kampementen van jager-verzamelaars uit het paleo- en mesolithicum. • Vanaf 5 m -NAP (3,14 tot 4,75 m -mv) kunnen in het westen van het plangebied resten aanwezig zijn van bewoning uit het neolithicum. • Vanaf maaiveld of direct onder de bouwvoor en/of een antropogeen ophoogpakket kunnen in het stroomgebied van de Vecht resten aanwezig zijn van bewoning uit de periode vanaf de IJzertijd. • Voor de periode vanaf de late middeleeuwen geldt dezelfde verwachting voor het gehele plangebied. • Vanaf de nieuwe tijd is in het plangebied slechts zeer spaarzaam gewoond, enkel in de vorm van afzonderlijke erven. Het plangebied is voornamelijk als agrarisch gebied in gebruik geweest. • Daarnaast zijn de locaties van vijftien verdwenen molens, één bestaande molen en een Duits grondradarstation in het plangebied gelegen, van 44 inmiddels verdwenen panden uit de 19e eeuw of vroeger en dertien gebouwde waarden in de vorm van acht Rijksmonumenten en vijf MIP-objecten uit de 20e eeuw. • Het veengebied dat gedurende de periode van het neolithicum tot de ijzertijd het gehele plangebied innam en daarna een deel, was te drassig voor bewoning, maar is wel voor andere menselijke activiteiten gebruikt. De resten hiervan zijn niet prospecteerbaar met de gebruikelijke methoden en worden doorgaans bij toeval aangetroffen. • Dit bureauonderzoek is in een zeer vroeg stadium uitgevoerd, in een periode dat zowel het verloop van het tracé van de hoogspanningsleiding, de aanlegmethode als de uit te voeren werkzaamheden nog niet bekend waren. Er kunnen dan ook nog geen uitspraken worden gedaan over de vraag of die ingrepen relevante archeologische niveaus zullen raken en in welke mate. Alleen een algemeen advies over de archeologische verwachting is mogelijk en een globaal advies over vervolgonderzoek in geval van niet al te ongebruikelijke bodemingrepen. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Daarom wordt geadviseerd om de plannen zodanig te ontwerpen dat verstoring wordt voorkomen. Dat kan door de bekende locaties van – veelal verdwenen – bebouwing uit de nieuwe tijd, molens en het Duitse grondradarstation te vermijden. Daarnaast is het voorkomen van verstoring van de best bewaarde archeologisch relevante niveaus mogelijk door In het westelijke deel van het plangebied gegraven ingrepen niet dieper uit te voeren dan 3 m en in de rest van het plangebied niet dieper dan 7 m. Het enige relevante archeologische niveau dat dan nog door ingrepen kan worden bedreigd, is het niveau aan het maaiveld, dan wel direct onder de bouwvoor en/of een antropogeen ophoogpakket. Dit niveau zal onmogelijk kunnen worden behouden wanneer de hoogspanningsleiding in een open ontgraving wordt aangelegd. In dat geval wordt een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van een verkennend booronderzoek daar waar een archeologische dubbelbestemming van kracht is. Een dergelijk vervolgonderzoek heeft tot doel de opbouw van de ondergrond, de bodemopbouw en/of bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen. Aan de hand daarvan kan de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting worden getoetst en kunnen concrete gegevens worden verzameld over de aanwezigheid, gaafheid en diepteligging van de verwachte archeologische niveaus. Dit onderzoek wordt aanbevolen wanneer de ligging van het geplande tracé in iets meer detail bekend is, dan wel wanneer er meerdere voorkeurstracés bekend zijn. Een dergelijk onderzoek kan, daar waar het relevante archeologische niveau nog intact is direct worden uitgebreid tot, dan wel later gevolgd worden door een karterend booronderzoek, dat in een hogere dichtheid aan boringen wordt uitgevoerd en tot doel heeft archeologische resten daadwerkelijk op te sporen daar waar relevante archeologische niveaus nog intact zijn. Dit onderzoek kan in een later stadium – op die plekken waar archeologische vindplaatsen aanwezig zijn – worden gevolgd door een waarderend vooronderzoek, dat doorgaans wordt uitgevoerd in de vorm van proefsleuven en dat tot doel heeft de aanwezige archeologische resten te waarderen. Dit wil zeggen dat op basis van een beoordeling van de aard, datering, gaafheid, conservering en zeldzaamheid van de vindplaats een oordeel wordt gegeven over de behoudenswaardigheid ervan. Een waarderend onderzoek kan ook in de vorm van boringen worden uitgevoerd, wanneer de aangetroffen archeologische resten zo diep liggen dat het graven van proefsleuven praktisch onmogelijk is. Met het waarderend onderzoek is de fase van het vooronderzoek afgerond. Wanneer een positief oordeel over de behoudenswaardigheid van archeologische vindplaatsen wordt overgenomen door de bevoegde overheid, dienen deze te worden behouden. Dit kan op twee manieren: in situ, waarbij de vindplaats door planaanpassing in de bodem ongeschonden in de bodem behouden blijft of ex situ, waarbij de vindplaats wordt opgegraven en het behoud plaatsvindt door documentatie van de sporen en vondsten en conservering en archivering van de vondsten en de opgravingsdocumentatie. Behoud in situ is in deze fase nog mogelijk door wijziging van het tracé, om de vindplaats heen, dan wel door een deel van het tracé niet in open ontgraving maar door middel van een gestuurde boring aan te leggen, onder de vindplaats door. Omlegging van het tracé is mogelijk wanneer bekend is of er rondom de vindplaats voldoende ruimte zonder archeologische resten aanwezig is om het tracé doorheen te leggen. Een zekere bandbreedte in het vooronderzoek kan dan ook nuttig zijn, omdat anders eventuele omleggingen weer leiden tot kleinere karterende booronderzoeken tussen alle voorbereidingen door. Bij een gestuurde boring bestaat in theorie de kans dat dieper liggende archeologische niveaus worden geraakt. Dit kan worden voorkomen door de diepte van de boring hierop aan te passen en ervoor te zorgen dan de boring of geheel boven het riskante niveau wordt uitgevoerd of – als dat niet mogelijk is – er onderdoor gaat, zodat de verstoring van het archeologische niveau beperkt blijft tot de twee locaties waar de boring door het niveau heen gaat. De mogelijkheid bestaat dat de hoogspanningsleiding (deels) bovengronds wordt uitgevoerd dit heeft voor de archeologie het voordeel dat een lang tracé van aaneengesloten ontgravingen wordt voorkomen en de risico’s voor archeologische resten dus aanzienlijk kleiner zijn. Bodemverstoringen zullen alleen ter plaatse van de funderingen van de hoogspanningsmasten plaatsvinden. Nadeel is dat deze funderingen dieper zijn en mogelijk op funderingspalen staan, waardoor plaatselijk de verstoringen tot in dieper gelegen archeologische niveaus kunnen reiken. In geval van een bovengrondse uitvoering wordt dezelfde reeks aan vooronderzoeken aanbevolen: verkennend booronderzoek waar een archeologische dubbelbestemming van kracht is, gevolgd door karterend booronderzoek waar archeologische relevante niveaus intact zijn, gevolgd door waarderend vooronderzoek waar archeologische vindplaatsen aanwezig zijn en afgesloten door behoudsmaatregelen – in dan wel ex situ – waar deze vindplaatsen behoudenswaardig bevonden zijn. Vanzelfsprekend zal bij een bovengrondse uitvoering deze reeks onderzoeken alleen nodig zijn ter plaatse van de geplande hoogspanningsmasten. Ook dit onderzoek wordt aanbevolen wanneer de ligging van het geplande tracé in iets meer detail bekend is, dan wel wanneer er meerdere voorkeurstracés bekend zijn. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Dit rapport geeft (selectie)adviezen. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeenten Diemen, Amsterdam en Gooise Meren deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2025-01-22
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务