five

(51031332) Eindrapportage archeologisch vooronderzoek Hoofdstraat 51A te Apeldoorn

收藏
DataCite Commons2026-03-09 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/GSI7UV
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
<p>Gespecificeerde archeologische verwachting</p><p> Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting op het voorkomen van restanten van steentijdbewoning (perioden (Laat) Paleolithicum t/m Midden Neolithicum) en een middelhoge tot hoge verwachting op het voorkomen van nederzettingssporen van landbouwers (perioden Laat Neolithicum t/m Nieuwe tijd). Het plangebied ligt op een van west naar oost (flauw) hellende daluitspoelingswaaier. Binnen deze daluitspoelingswaaiers komen ook dalvormige laagten voor die via beken water afvoerden. Vrij dichtbij, ten noordwesten van het plangebied, ligt het beekdal van De Grift. Hoger gelegen terreindelen langs dit beekdal vormde voor jagers-verzamelaars aantrekkelijke locaties voor tijdelijke/kortstondige bewoning (jachtkampementen). Ook in de perioden vanaf het Laat Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen hadden landbouwers nog steeds een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden en waarschijnlijk vormde het plangebied ook een locatie die voldoende geschikt was voor het ontplooien van bewoningsactiviteiten. Reeds uitgevoerde archeologische onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied hebben tot op heden geen vindplaatsen opgeleverd daterend uit zowel de Vroege als Late Prehistorie. Meest van belang voor het plangebied is dat het binnen de noordelijke rand van de Wormense Enk heeft gelegen. Op basis van historisch-topografisch kaartmateriaal zijn er al aanwijzingen voor bebouwing in de directe omgeving van het plangebied vanaf in ieder geval de tweede helft van de 18e eeuw. Er dient rekening te worden gehouden dat ter plaatse dan wel in directe omgeving van deze historische erven (die langs het meest noordelijke deel van de Wormense Enk hebben gestaan) middeleeuwse voorlopers kunnen hebben gelegen. Gravende onderzoeken in de omgeving van het plangebied hebben ook vindplaatsen opgeleverd uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Tot op heden aan aangetroffen vondstmateriaal is voornamelijk te relateren aan de ontwikkeling van de historische dorpskern van Apeldoorn. </p><p> Resultaten inventariserend veldonderzoek</p><p> De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten zien dat binnen het merendeel van de onbebouwde delen van het plangebied sprake is van een intacte bodemopbouw en dat het aanwezige bodemprofiel een hoge enkeerdgrond betreft. Een plaggendek is aanwezig tussen circa 30 en 110 cm -mv en alleen het bovenste deel van het plaggendek oogt als (sub)recent bewerkt/geroerd. Belangrijker is dat onder het plaggendek nog sprake van merendeels intact van nature gevormd bodemprofiel, in de vorm van een zwak ontwikkelde podzolbodem/gooreerdgrond. Het archeologisch potentiële sporenniveau is in ieder geval nog intact aanwezig. Archeologische sporen met hierin aanwezige resten, kunnen dan ook intact worden aangetroffen vanaf circa 110 cm -mv. Verder zullen archeologische sporen meest duidelijk zichtbaar zijn in de BC-horizont en op de overgang naar de C-horizont, tussen circa 120 en 150 cm -mv. Bij één boring is, ondanks een diepere verstoring tot circa 155 cm -mv, slechts een zeer dunne laag van de oorspronkelijke top van de C-horizont vergraven en kunnen ook hier archeologische sporen nog gedeeltelijk intact worden aangetroffen. Waarschijnlijk is onder het kantoorpand, dat binnen het plangebied staat, het archeologisch potentiële sporenniveau nog deels intact aanwezig (verstoringen reiken hier waarschijnlijk tot aan dan wel net in de top van de C-horizont). </p><p>   Conclusie</p><p> Geconcludeerd wordt dat voor het plangebied de middelhoge verwachting op het voorkomen van intacte vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars kan bijgesteld worden naar een lage verwachting. De middelhoge tot hoge verwachting behoud op het voorkomen van archeologische (nederzettings)sporen daterend vanaf het Laat Neolithicum t/m de Nieuwe tijd blijft echter wel behouden. De geplande ontwikkeling/bodemingreep (nieuwbouw van een appartementsgebouw met funderingen tot een diepte van circa 1,4 m -mv) zullen reiken tot in het archeologisch potentiële sporenniveau, waardoor eventueel aanwezige archeologische waarden zullen worden verstoord.</p><p> Advies</p><p> Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Sweco de aanbeveling gedaan om binnen het plangebied een vervolgonderzoek uit te voeren. Binnen de onbebouwde delen van het plangebied is sprake van een merendeels intacte oorspronkelijke bodemopbouw. Omdat archeologische vindplaatsen kunnen worden verwacht met een lage, matige dan wel een hoge spoor-/vondstdichtheid, wordt geadviseerd het vervolgonderzoek in de vorm van een gravend onderzoek te laten uitvoeren. Vindplaatsen met een lage spoor-/vondstdichtheid kunnen met een karterend booronderzoek worden gemist en is dan ook niet geschikt als vervolgonderzoek. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek en nadat het plangebied vrij is gemaakt van de bestaande begroeiing/verhardingen en bij voorkeur ook het bestaande kantoorpand binnen het plangebied is verwijderd/gesloopt (bovengrondse delen en ondergrondse delen tot 35 cm minus huidig maaiveld, geldend als vrijstellingsdiepte). </p><p> Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Afhankelijk van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kan vervolgens door de bevoegde overheid (SAGA) nog besloten worden tot de noodzaak van uitbreiding van het onderzoek naar een opgraving. Hiertoe kan in het PvE een optie tot doorstart naar een definitieve opgraving worden opgenomen, wat de besluitvorming ten bate van verlening van een omgevingsvergunning met betrekking tot de archeologie kan versnellen.</p><p> Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is alleen mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt door niet dieper te ontgraven dan 80 cm onder het huidige maaiveld (bijvoorbeeld door het plangebied op te hogen). Archeologische waarden worden namelijk verwacht vanaf 110 cm -mv en voor de bescherming van deze archeologische waarden wordt normaliter een buffer gehanteerd van 30 cm. In de praktijk zal dit lastig uitvoerbaar zijn, gezien de wens te gaan bouwen op de vaste ondergrond (‘bouwen op geel zand’, waarbij funderingen zullen worden aangelegd op circa 140 cm -mv).</p><p> Bovenstaand advies is van Sweco. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. </p><p> Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Apeldoorn wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Apeldoorn op de hoogte te stellen.</p><p> De Omgevingswet regelt dat in het geval van archeologische toevalsvondsten van algemeen belang, niet alleen de minister van OCW, maar ook de gemeente bevoegd is om bodemverstorende werkzaamheden stil te leggen.</p>
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2026-03-03
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务