Replication Data for: Transect-rapport 5553: Mijdrecht, Vermogenweg Gemeente De Ronde Venen (UT) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase
收藏DataCite Commons2025-12-15 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/KZPMR0
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Op basis van het bureauonderzoek geldt een middelhoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum. Gedurende het LaatPaleolithicum – Mesolithicum lag het plangebied in een dekzandlandschap. Binnen dit dekzandlandschap vond bewoning vooral plaats op (de flanken van) dekzandruggen en -welvingen. Uit een onderzoek dat op circa 150 m ten noordoosten van het plangebied is uitgevoerd, blijkt dat het dekzand plaatselijk niet intact is. Uit de aanwezigheid van gyttja boven het dekzand blijkt dat het landschap daar onder water is komen te staan waardoor het dekzand verspoeld en geërodeerd is. Ook was de omgeving waarschijnlijk te nat voor bewoning. Het is echter niet zeker of dit ook het geval is ter plaatse van het plangebied. De verwachting op resten is daarom middelhoog. Vanaf het Neolithicum ligt het plangebied in een kwelderlandschap. De oevers van kreekgeulen vormen binnen dit landschap de hoogste en droogste delen. Bewoning kon in theorie plaatsvinden op deze oevers plaatsvinden. Op het AHN is de ligging van de kreek- of getijdegeulen nabij/in het plangebied moeilijk te zijn. Waarschijnlijk is dit veroorzaakt door de eventueel aangebrachte ophoging in het plangebied. Ze zijn echter wel aangegeven op de beleidskaart en beter zichtbaar op het perceel ten oosten van het plangebied. Mogelijk hebben langs deze geulen oevers gelegen, die hoog en droog genoeg waren voor bewoning. Dit hangt echter mede af of er sprake is van fysieke rijping in de top van deze oeverafzettingen en waar in het getijdegebied exact eventuele geulen te plaatsen zijn. Oevers van bijvoorbeeld wadgeulen lopen dagelijks onder water en zijn zodoende niet permanent bewoonbaar. Oevers van kreekgeulen lopen daarentegen slechts tijdens springtij onder water. Als gevolg van deze geringe frequentie bestonden hier daarom wel bewoningsmogelijkheden in het Neolithicum. Booronderzoek moet uitwijzen waar exact in het oude landschap de aanwezige geulen te plaatsen zijn en in hoeverre deze geschikt waren voor bewoning. Een onderzoek dat op 150 m ten oosten is uitgevoerd, wijst uit dat de kreekgeulen en de oevers een kleiig karakter hebben wat wijst op trage stroomsnelheden. Er zijn tevens geen ‘bewoonbare’ niveaus zoals veraarde en verdroogde veenlagen of bodemniveaus in de kwelderafzettingen aangetroffen. De verwachting op resten uit het Neolithicum is daarom middelhoog. Voor de periode Bronstijd – Late Middeleeuwen is de archeologische verwachting laag. Dit is het gevolg van de vervening van het gebied. Het veen is namelijk afgegraven, waarbij eventuele archeologische resten zijn verdwenen. Voor wat betreft de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd is de verwachting laag, aangezien in of nabij het plangebied geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van bebouwing of de ligging nabij van een oud bebouwings- of ontginningslint.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2025-12-09



