five

Sporen uit de Vroege Bronstijd en Romeinse Tijd te Culemborg. Een archeologische opgraving van 'vindplaats B' te Lanxmeer, Culemborg, gemeente Culemborg (Gld.).

收藏
DataCite Commons2025-06-13 更新2025-06-14 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-zxm-y5pd
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
De aanleiding voor de archeologische opgraving betrof het voornemen van de gemeente Culemborg om in het plangebied Lanxmeer te Culemborg een bodemsanering te laten plaatsvinden. Een verkennend onderzoek van RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. (Ode & Haartsen 1997) toonde in een eerder stadium aan, dat er zich in het betreffende deel van het plangebied Lanxmeer een archeologische vindplaats bevindt, genaamd ‘vindplaats B’. De gemeente Culemborg gaf daarom aan Archaeological Research & Consultancy (ARC bv) uit Groningen de opdracht om het terrein te onderzoeken. Gezien het feit dat de grond op het terrein vervuild was en gesaneerd diende te worden, bleek het niet mogelijk om een archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO, voorheen AAO) uit te voeren zoals was voorgesteld door RAAP. In plaats hiervan is besloten om de sanering van het terrein, uitgevoerd door Milieu Techniek Eemland (MTE) uit Soest, in opdracht van de gemeente Culemborg, en het archeologische onderzoek gezamenlijk uit te voeren. Hierbij was het archeologisch onderzoek maatgevend, maar was het wel gebonden aan de diepte van de vervuiling ten opzichte van het maaiveld.Antwoorden op de onderzoeksvragen:1 Hoe zag het locale landschap op en rond ‘vindplaats B’ er uit ten tijde van de bewoning?De bewoning heeft plaatsgevonden op een oeverwal van een stroomrug. In de Vroege Bronstijd zal de stroomrug al zijn verland. Op de stroomrug hebben vermoedelijk nog enkele geulen gestroomd. De aanwezigheid van open (stromend) water is van zeer groot belang, niet alleen vanwege de mogelijkheid voor visvangst en jacht op watervogels, maar vooral ook voor transport. De geulen konden soms nog tot wateroverlast op de stroomrug leiden, gezien de geulafzettingen die in vlak 2 van werkput 1 zijn aangetroffen. Op de oeverwal kon akkerbouw plaatsvinden en het omliggende land, het komgebied, kan als weidegrond gebruikt zijn. Er kon tijdens de archeologische opgraving echter niet worden aangetoond dat er daadwerkelijk akkerbouw en veeteelt heeft plaatsgevonden op en rond het onderzoeksterrein. In de Romeinse Tijd vindt wederom bewoning plaats op de oeverwal. De geulafzetting van vlak 2, werkput 1 zullen dan zijn verland, maar vermoedelijk nog wel als depressie in het landschap aanwezig zijn geweest. Deze depressie zal zijn benut in het ontwateren van het nederzettingsterrein, doormiddel van het aanleggen van afwateringsgreppels.2 Wat was de relatie tussen mens en millieu en wat was de achtergrond bij de locatiekeuze?Het milieu zal een zeer belangrijke rol gespeeld hebben in de locatiekeuze van de bewoners van ‘vindplaast B’. De aanwezigheid van de oeverwal, behorende tot de Schoonrewoerdse stroomrug, zal bepalend geweest zijn in de locatiekeuze van de bewoners in zowel de Vroege Bronstijd als in de Romeinse Tijd. Deze – hoger gelegen – stroomrug zal vanwege de gunstige ligging geschikt zijn geweest voor bewoning in beide perioden. Dat dit niet altijd het geval is geweest blijkt uit het feit dat de Vroege Bronstijdsporen relatief snel zijn overdekt door een laag–energetisch sediment.3 Wat was de omvang van de nederzetting?In de inleiding is al een voorbehoud bij deze vraag gesteld. Gezien de beperkte omvang van het onderzoeksterrein zijn de grenzen van de vindplaats niet bereikt. De exacte omvang van de nederzetting, uit zowel de Vroege Bronstijd als Romeinse Tijd, kan dus niet vastgesteld worden. Wel moet er rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat het Romeinse deel van ‘vindplaats B’ zich verder naar het zuiden en/of zuidwesten uitstrekt.4 Hoe zat de voedseleconomie in elkaar en in welke mate was deze zelfvoorzienend?Voor de Vroege Bronstijd fase kan op deze vraag geen antwoord worden gegeven. Hiervoor zijn de gegevens ontoereikend. Op basis van de faunaresten kan worden geconcludeerd dat gedurende de Romeinse bewoning, het dierlijk voedsel vooral werd geconsumeerd en niet, of in mindere mate, ter plaatse werd geproduceerd. Het voedsel is daarom waarschijnlijk aangevoerd uit een ander, niet onderzocht deel van de vindplaats of uit een compleet ander productiecentrum.De samenstelling en verhouding van de verschillende aardewerkcategorieen, zowel in de verhouding inheems ten opzichte van importaardewerk, als de verhouding binnen het importaardewerk tussen dikwandig aardewerk en serviesgoed is opvallend. Het lijkt erop dat het voedsel vooral werd bereid ininheemse, handgevormde potten. Aardewerktypen en -vormen die wijzen op Romeinse eetgewoontes, zoals wrijfschalen voor het maken van sauzen en amforen voor wijn of olie, zijn slechts in zeer geringe aantallen aangetroffen.5 Welke structuren, solitaire sporen en activiteitsgebieden zijn binnen de vindplaatsaangetroffen?De haardkuil uit werkput 1, vlak 2, is het enige duidelijk herkenbare grondspoor binnen het onderzochte deel van het nederzettings- of activiteitsgebied uit de Vroege Bronstijd. De sporen en structuren uit de Romeinse nederzetting (vlak 1) bestonden uit een aantal parallel liggende greppels en een aantal kuilen. Er konden geen huisplattegronden worden gereconstrueerd uit de verspreid aangetroffen paalkuilen.6 Wat was de gebruiksduur van de nederzetting?De gebruiksduur van de Vroege Bronstijd fase is te plaatsen tussen 1900 v. Chr. en 1575 v. Chr. Een 14C-datering van het houtskool uit de haardplaats leverde een datering op van 3555 BP ± 40, hetgeen neerkomt op een een gecalibreerde datering van 1947 tot 1779 cal BC. Gezien het aardewerk kan geconcludeerd worden dat het gebruik van de locatie van korte duur is geweest.Op basis van het aardewerk kan de Romeinse bewoningsfase gedateerd worden tussen ca. 75 n. Chr. en ca. 125/150 n. Chr.Dit geeft een gebruiksduur van 50 tot 75 jaar, dus een bewoning van twee tot drie generaties.7 Wat voor technologische en culturele affiniteit zijn te herkennen aan de handvan de mobilia en structuren?Het Vroege Bronstijd aardewerk is grof gemagerd met steengruis. Het aantal scherven is echter te klein om een uitspraak te doen over het feit of men een voorkeur had voor een magering met gebroken (gang)kwarts of met afgeronde grindjes. De wikkeldraadversiering is kenmerkend voor de Vroege Bronstijd. Daarnaast wordt het aardewerk uit deze periode ook wel versierd met indrukken van een hol, rond stempel.De archeologische resten die op het hoogste vlak zijn gevonden, hebben een duidelijke Romeinse affiniteit, met slechts een beperkte inheemse component. In bepaalde opzichten is er duidelijk sprake van romanisering, zoals duidelijk wordt uit de relatief grote hoeveelheid terra sigillata.8 Welke uitwisselingsnetwerken bestonden er?Van enkele stukken Romeins aardewerk kon de herkomst bepaald worden. Deze scherven waren afkomstig uit de pottenbakkerijen van La Graufesenque of Lezou, in Zuid-Frankrijk. Gezien de aard van het Romeinse importaardewerk kunnen we er van uitgaan dat er contacten met de rest van het Romeinse rijk hebben bestaan. Ook de faience kraal zal van elders zijn aangevoerd. De exacte herkomst hiervan is echter niet te bepalen.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2015-06-11
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务