Onderzoeksgebied AWZI Alphen-Noord te Alphen aan den Rijn
收藏DANS Data Station Archaeology2021-12-01 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-ZWJ-NP4Z
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>In opdracht van Haskoning DHV Nederland B.V. heeft RAAP in mei-juni 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het onderzoeksgebied AWZI Alphen-Noord te Alphen aan den Rijn. Het onderzoek vond plaats in het kader van een omgevingsvergunningsaanvraag. Het huidige verkennend booronderzoek komt voort uit een bureauonderzoek (Kroes, 2021), waarin is geadviseerd om in het huidige onderzoeksgebied (werkzaamheden > 1 m –mv) verkennende boringen te laten uitvoeren. Op basis van reeds uitgevoerd bureauonderzoek (Kroes, 2021) bestond de volgende archeologische verwachting. De top van het pleistocene dekzand vormt een potentieel archeologisch niveau uit het paleo- en mesolithicum, maar ligt dieper dan de voorgenomen ingrepen (circa 12 m –mv). Het onderzoeksgebied lag waarschijnlijk in het komgebied van de Oude Rijn (lage archeologische verwachting), waarbij in delen van het onderzoeksgebied mogelijk ook oeverafzettingen werden verwacht op basis van een reconstructie voor de Romeinse tijd. Zulke lagen kunnen, afhankelijk van het moment van vorming van de oeverafzettingen, vanaf het vroeg neolithicum goed bewoonbaar zijn geweest tot in ieder geval de Romeinse tijd, en mogelijk later. Mogelijk waren deze oeverafzettingen bedekt met een jonger pakket klei en een ophogingspakket van circa 0,5 m dik. Voor de middeleeuwen en nieuwe tijd bestond een lage archeologische verwachting. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek bestaat de bodemopbouw in het onderzoeksgebied tot relatief diep uit opgebrachte grond, die na het ontstaan van de Zegerplas in de jaren ’60 van de vorige eeuw is opgebracht. Hierdoor zijn op de boorlocaties in ieder geval tot 175 cm –mv en plaatselijk tot 275 cm –mv geen in situ archeologische resten te verwachten. Het opgebrachte pakket blijkt dikker dan verwacht en op basis van een vergelijking van maaiveldhoogten vanaf de jaren ’60 lijkt het waarschijnlijk dat enige klink van onderliggende relatief slappe bodemlagen heeft plaatsgevonden. Onder het aangetroffen ophoogpakket zijn binnen de maximale boordiepte uitsluitend lagen met een lage archeologische verwachting aangetroffen (komklei en veen). Op basis van de uitgevoerde boringen kan worden gesteld dat hoger gelegen oeverwallen van de Oude Rijn verder richting het westen van het plangebied zullen zijn gelegen. Enkele lagen in boring 7 en 8 zouden mogelijk ook als oeverafzettingen kunnen worden gezien, maar deze vormen hoogstens lager gelegen oevers in het overgangsgebied naar het komgebied op enige afstand van de rivier. Tijdens het onderzoek zijn geen lak- of cultuurlagen en archeologische indicatoren waargenomen. Op basis van deze resultaten blijkt dat de voorgenomen bodemingrepen grotendeels binnen opgebrachte grond zullen plaatsvinden, terwijl plaatselijk mogelijk lagen met een lage archeologische verwachting worden geroerd. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt de kans gering dat in het onderzoeksgebied archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen (net als voor het niet met boringen onderzochte deel van het plangebied) geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplic ht (vondstmelding via ARCHIS).</p>
创建时间:
2021-06-21



