Sporen uit de Late Middeleeuwen. Een definitief archeologisch onderzoek op het plangebied 'De Winkelaar' te Winterswijk, gemeente Winterswijk (Gld.)
收藏DataCite Commons2025-06-13 更新2025-06-14 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-zbn-xqwt
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Op basis van het nu gedane onderzoek kan worden vastgesteld dat het onderzoeksgebied in een aantal fasen in de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd in gebruik is geweest. Eerder gebruik is niet aangetoond. De enkele Romeinse scherf is te verklaren als strooivondst, vermoedelijk afkomstig van de in 2001 door het ADC opgeraven vindplaats (Prangsma 2001). In de Vroege Middeleeuwen heeft veengroei in de natte depressies van het gebied plaatsgevonden. In deze periode ontstaat ook het dorp Winterswijk op de dekzandrug. Aan het begin van de Late Middeleeuwen breidt het dorp zich dusdanig uit dat ook de natte veengebieden in gebruik worden genomen. Vanaf ongeveer het einde van de late Middeleeuwen wordt het onderzoeksterrein in een aantal keren opgehoogd, de laatste maal in de 19e eeuw.Het onderzoeksgebied is in zijn algemeenheid te interpreteren als de achtererven van de zich ontwikkelende bewoning aan de Medossestraat met de daarbij behorende activiteiten van de bewoners. Veelal zullen deze activiteiten van agrarische aard zijn, maar een van die activiteiten is waarschijnlijk van ambachtelijke aard. De sporen van een werkplaats op een erf en de daarbij behorende vondsten laten vermoeden dat hier in de Late Middeleeuwen ijzerbewerking heeft plaatsgevonden. Aan de hand van de resultaten van het DAO kunnen de vraagstelingen uit het PvE als volgt worden beantwoord.1 Wat is de precieze aard van de archeologische resten uit de IJzertijd? Wijzen deze resten op bewoning of agrarisch grondgebruik?Tijdens het proefsleuvenonderzoek is een aantal scherven op het oppervlak direct onder de veraarde veenlaag aangetroffen. In eerste instantie werd inn het veld gedacht dat het aardewerk uit de IJzertijd betreft. Bij nadere bestudering van het materiaal bleek het echter te gaan om laatmiddeleeuws kogelpotaardewerk. Tijdens het DAO zijn evenemin antropogene sporen of voorwerpen aangetroffen die dateren uit de IJzertijd. De gevonden Romeinse scherf is aan te merken als strooivondst van een verder zuidelijk gelegen vindplaats. De gevonden bewerkte stenen zijn niet met zekerheid te dateren, maar stammen waarschijnlijk eveneens uit de middeleeuwen.2 Wanneer werd het gebied verlaten en is de vernatting de directe reden hiervan?Op basis van de onderzoeksresultaten van het DAO kan worden geconcludeerd dat het gebied pas in gebruik werd genomen n´a de veenvorming. De veenvorming in de depressie van het gebied is in de Vroege Middeleeuwen op gang gekomen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat sporen van bewoning of gebruik van het terrein in deze periode ontbreken. Het gebied zal hiervoor in die periode te nat zijn geweest en de nederzetting zal nog niet dusdanig aan het uitbreiden zijn dat deze grond aantrekkelijk was voor explotatie. Uit de sporen en vondsten uit het huidige onderzoeksgebied is te concluderen dat er geen sprake is van een eerdere gebruikperiode waarbij het gebied weer verlaten is.3 Wanneer werd het gebied (na de vorming van het veenpakket) ontgonnen en wederom in gebruik genomen?De eerste gebruiksperiode is te plaatsen in het begin van de Late Middeleeuwen, het einde van de elfde eeuw. Aan het einde van de Late Middeleeuwen is men begonnen met het ophogen van het gebied. 4 Wat is de precieze aard van de bewoning en het grondgebruik in de Late Middeleeuwen? Is er sprake van een fasering in de Middeleeuwen?Het onderzoeksterrein is in de late middeleeuwen in gebruik genomen als erf van de bewoning aan de Meddosestraat. De bewoners hebben waarschijnlijk hun erf als moestuin gebruik en in een enkel geval voor ambachtelijke activiteiten. De laatmiddeleeuwse activiteiten op het terrein laten zich indelen in twee hoofdfases, waarin in de eerste fase een onderverdeling aangebracht kan worden. In de eerste fase wordt het terrein ontgonnen, fase 1A, waarna het direct in gebruik wordt genomen, fase 1B. Na langdurig in gebruik te zijn geweest, wordt het terrein tegen het einde van de late Middeleeuwen opgehoogd, fase 2.5 Hoe verhield het grondgebruik zich tot de toenmalige natuurlijke omgeving? Wat was, in dit kader, de precieze reden tot het ophogen van het terrein?De toenmalige natuurlijke omgeving zal hebben bestaan uit een landschap met dekzandrug langs een beekdal en een plas waarin veengroei was ontstaan. Delen van dit veen zullen in de Late Middeleeuwen zijn ontgonnen. Toch zal het landschap nog glooiend zijn geweest, waarbij de hoger gelegen droge delen het meest geschikt waren voor direct gebruik. De ophoging van het terrein heeft waarschijnlijk plaatsgevonden omhet terrein te egaliseren en droger te maken, om zo het voor de bewoners van de Medossestraat beschikbare areaal uit te breiden. Het hoogteverschil tussen de oever en het beekdal zal vanaf de Late Middeleeuwen op deze manier steeds verder afgevlakt zijn geraakt, de in een depressie gelegen plas is hierbij geheel verdwenen. Maar ook nu nog is de Medossestraat, gelegen op de dekzandrug, hoger dan de Burgemeester Bosmaweg in het voormalige dal 6 Hoe verhoudt de middeleeuwse oriëntatie en infrastructuur zich tot de huidige?De oriëntatie van de gevonden greppels en sloten, zowel de Laatmiddeleeuwse als de Nieuwe tijd sloten, is allemaal haaks op het verloop van de Medossestraat. Het verschil in ori¨entatie van de verschillende sloten en greppels is te verklaren uit het feit dat de Medossestraat een slinger maakt. Het patroon van erfgrenzen dat op het minuutplan van 1828 zichtbaar is, is sinds de middeleeuwen niet wezenlijk veranderd. Pas de uitbreiding vanWinterswijk aan het einde van de 19e eeuw en in de 20e eeuw brengt hier verandering in. 7 Hoe zag de materi¨ele cultuur van de bewoners er in de Middeleeuwen uit? Was men voor wat betreft de verwerving van gebruiksvoorwerpen zelfvoorzienend of produceerde men surplus voor uitwisseling?Uit de bestudering van het vondstmateriaal zijn geen zekere aanwijzingen naar voren gekomen die deze vraag eenduidig kunnen beantwoorden. Het gaat hier specifiek om bewerkte stenen en aardewerk. In de 12e – 13e eeuw bestond een belangrijk deel van de materi¨ele cultuur uit aardewerk. Men gebruikte het lokaal vervaardigde, handgevormde aardewerk vooral voor koken. Een kleiner deel, het grootste deel van het ge¨ımporteerde aardewerk, is gebruikt voor bijvoorbeeld opslag en opdienen van met name vloeistoffen. Dit zal mede zijn voortgekomen omdat dit aardewerk veelal als secundair product ‘meekwam’ met de invoer van wijn en olie. Later in de Middeleeuwen, ruwweg de 14e – 15e eeuw, is aardewerk vooral afkomstig uit regionale productiecentra, waar met name rood- en grijsbakkend aardewerk wordt geproduceerd. Dit aardewerk neemt geleidelijk de functie van het kogelpotaardewerk over. Opvallend is de component grijs handgevormd aardewerk, dat vrijwel zeker afkomstig van ’t Haken net ten zuiden van Winterswijk in het buurtschap Woold. Ook in deze fase is geïmporteerd materiaal aangetroffen, in dit geval steengoed uit Siegburg en Langerwehe, vooral bedoeld voor vloeistoffen. Er is zeker sprake van handel, maar in hoeverre er sprake was van de productie van surplus is op basis van het aardewerkonderzoek niet vast te stellen, en evenmin is vast te stellen in hoeverre men zelfvoorzien end was. Evenmin kan op basis van de lithische materialen worden hardgemaakt dat er sprake was van surplus. Wel kan worden gesteld dat aangezien ongeveer de helft van het verzamelde steen lokaal niet kan worden verzameld en afkomstig moet zijn uit het buitenland, dat handel plaatsvond en dat men artikelen moest hebben om te verhandelen. Op basis van de maalsteenfragmenten van tefriet is duidelijk dat in elk geval contact was met het Duitse Eifelgebied. De leistenen dakpan fragmenten kunnen eveneens uit Duitsland afkomstig zijn.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2015-06-13



