five

Zutphen - Looërenk (werkput 167). Een vuursteenconcentratie uit het mesolithicum

收藏
DANS Data Station Archaeology2007-02-27 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-Z6R-8AC6
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
<p>In de periode 1997-2004 heeft er een grootschalig archeologisch onderzoek plaatsgevonden aan de zuidoostrand van de gemeente Zutphen: de Looërenk. De aanleiding hiervoor was gelegen in de bouw van de VINEX-wijk Leesten-Oost. In wezen vormde de Looërenk de laatste in een serie gebieden aan de zuidrand van Zutphen waar nieuwbouw plaatsvond. Voorafgaand aan de Looërenk werd ook archeologisch onderzoek uitgevoerd op het Laaksche Veld, de Ooyerhoek en de Revelhorst. In totaal zijn zo tientallen hectaren archeologisch onderzocht. Alleen al op de Looërenk is zo ca. 10 hectare vlakdekkend onderzocht. Al met al is de bewoningsdynamiek van het gebied zeer scherp in beeld gekregen. Op de Looërenk zijn bewoningssporen uit bijna alle perioden vanaf het vroege Mesolithicum aangetroffen. Het gaat onder meer om vroeg-mesolithische kampementjes, laatmesolithische graafsporen, klokbeker-crematiegraven, tientallen gebouwen van vroege Bronstijd tot late IJzertijd, een grafveld uit de ijzertijd, honderden karolingische houtskoolmeilers en enkele laat-middeleeuwse boerderijen (Bouwmeester et al. 2006). Dit rapport gaat over een vuursteenconcentratie die is aangetroffen in één van de 303 aangelegde werkputten. De Looërenk ligt op een rivierduinencomplex dat ten oosten van de Ooyerhoekse Laak is ontstaan. Zowel de rivierduinen als de beek dateren uit het Pleistoceen (Jonge Dryas). Aan de oostzijde wordt de duinenreeks geflankeerd door de voormalige moerassen het Leestense broek en het Rouwbroek. Aan de noordzijde loopt het gebied uit in een dekzandvlakte. Mesolithische werktuigen zijn gevonden op de gehele westrand van het complex, die uitzicht bood op de beek. Hierbij moet opgemerkt worden dat dit beeld niet volledig is omdat de hoogste rand in waarschijnlijk de 15e eeuw is afgegraven. Hierbij zal een belangrijk deel van de mesolithische bewoningssporen verloren zijn gedaan. Er is echter genoeg materiaal bewaard gebleven om de relatie te kunnen leggen tussen de aanwezigheid van water en de locatiekeuze van de mesolithische jager-verzamelaars. Deze relatie is in Zutphen ook al vastgesteld bij de opgravingen in de Ooyerhoek. De in dit rapport behandelde vuursteenconcentratie bevond zich ook aan het water. De site ligt aan de zuidrand van een ven, midden op de enk. Dit ven werd tussen de 7 en 8.000 jaar voor Christus (Boreaal) voor het eerst bezocht door mesolithische jagers-vissers-verzamelaars. Er zijn echter ook aanwijzingen dat het ven nog bezocht werd in het vroege Atlanticum (Laat-Mesolithicum). Uit deze tijd dateren vele kuiltjes die in de bodem van het dan reeds verlandende ven zijn gegraven, waarschijnlijk met het doel knollen van planten te verzamelen. In het late Atlanticum is het ven nagenoeg geheel verland en verdwijnt de aantrekkingskracht ervan voor jager-verzamelaars. Dit verandert in de vroege Bronstijd. Vanaf die tijd –en op andere plekken op de enk al in het late Neolithicumworden de verschillende zandkoppen constant, maar waarschijnlijk niet gelijktijdig, bewoond door boeren. Aan de rand van het ven wordt gedurende de hele Bronstijd gewoond. De mesolithische vuursteenconcentratie ligt dan ook óp de erven uit de Bronstijd. Meer precies: Tussen / onder de huizen en de waterputten en spiekers in de laagte van het ven. Dit is van belang omdat enkele paalsporen uit de Bronstijd door de vuursteenconcentratie heen zijn gegraven en er bovendien contaminatie met Bronstijdmateriaal heeft plaats gevonden. In het geval van aardewerk is dit geen probleem, maar in het geval van vuursteen en natuursteen maakt het de zaken iets gecompliceerder. De hier uitgewerkte vuursteenconcentratie werd in 2002 aangetroffen in werkput 167. In 2003 werd de vuursteenconcentratie onder leiding van S. Verneau-Peeters opgegraven en uitgebreid in put 161, 165 en 198. In totaal zijn er 448 vakken opgegraven, waaronder 25 in 2002 door leden van de AWN, medewerkers van de Zutphense archeologische dienst en een vaste groep vrijwilligers. In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd. In hoofdstuk 2 wordt een uiteenzetting van de vraagstellingen en de gevolgde werkwijze gegeven. In het volgende hoofdstuk volgt de beschrijving en analyse van het vondstmateriaal. Daarna wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de ruimtelijke aspecten van de vindplaats. Het geheel wordt afgesloten met de conclusies.</p>
创建时间:
2007-02-01
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务