five

Archeologisch vooronderzoek in het kader van geplande bouw van een zonnepark ten oosten van de Oostrumse beek te Leunen, gemeente Venray

收藏
Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-xvg-ux93
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor een plangebied genaamd in het buitengebied van Venray, ten westen van de Oostrumse Beek. Binnen het plangebied staat de bouw van een zonnepark gepland. Ten tijde van onderhavig onderzoek zijn de exacte bouwplannen nog onbekend, evenals de verstoringsdiepteDoel van het archeologisch bureauonderzoek was vast te stellen of er in het plangebied sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de ingrepen verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk, uitspraken te doen over de waarde hiervan in termen van fysieke en inhoudelijke kwaliteit zoals zeldzaamheid en gaafheid.Uit het bureauonderzoek blijkt dat vanuit het perspectief van het landschap de volgende archeologische verwachting binnen het plangebied geldt: (Pre)historisch nederzettingen kunnen zijn ontstaan op de hoger gelegen plekken in het landschap, en op de flanken ervan, met name in de nabijheid van water. Binnen het huidige plangebied betreft dit de westelijke rand van het beekdal, een dekzandwelving (L51 op Kaart 2a - geomorfologische kaart), die een hoge archeologische verwachting voor alle perioden, maar met name het Mesolithicum heeft. Hoewel hier nu de Oostrumse Beek stroomt, is dit mogelijk niet altijd op die locatie het geval geweest; de beek is namelijk al voor begin 19e eeuw genormaliseerd- net als de Breevennen, de beek die in het midden van het plangebied van zuid naar noord stroomt. Het niet duidelijk waar de oorspronkelijk loop van deze beken heeft gelegen, en daarom ook niet of de ondergrond langs de westzijde van het gebied vóór de normalisering door de natuurlijk meanderende beek is verstoord. Een dekzandwelving/glooiing van beekddalzijde (zie Kaart 2A) bevindt zich mogelijk ook aan de noordoostzijde van het plangebied; hier nabij zijn drie vondstmeldingen gedaan (zaakidentificatie 2865249100, 3116915100 en 2865240100, zie Kaart 3). Ook hier geldt een hoge verwachting.Deze hoge verwachting aan de randen van het plangebied is mede gebaseerd op de genoemde vondsten net ten noordoosten van het plangebied, een vondst in de bovenloop van de Breevennen net ten zuiden van het plangebied (zaakidentificatie 3116834100), en onderzoeken in beekdalen in de omgeving, zoals in de het dal van de Loobeek nabij Merselo; verder is deze gebaseerd op onderzoek in beekdalen elders in Nederland. Specifiek is er een grote kans op een intact dekzandbodem op de locatie in het zuidoosten van het plangebied die op de bodemkaart is gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgrond.Voor deze westelijke rand van het plangebied is er dus een kans op het aantreffen van prehistorische (met name mesolithische) vindplaatsen, gekenmerkt door een strooiing van overwegend (bewerkt) vuursteen, maar ook aardewerk, leem, houtskool, hout, bot en gewei, het grootst wordt geacht. Deze verwachting geldt niet alleen voor de randen van de dekzandwelving aan de west- en noordoostzijde van het plangebied, maar geldt ook in een deel van het beekdal zelf, in de zone grenzend aan de dekzandwelving. Hier geldt ook een hoge verwachting tot en met het Mesolithicum. Vanaf het Neolithicum werd het beekdal dermate nat, dat permanente bewoning hier minder aannemelijk is. De archeologische verwachting voor de locaties in het beekdal grenzend aan dekzandwelvingen is dan middelhoog.Door de ligging in een beekdal heeft het grootste deel, het centrale deel van het plangebied, een middelhoge archeologische verwachting, omdat deze gebieden mogelijk constant werden doorsneden door de twee beekjes. Voor het gehele beekdal geldt dat er rekening moet worden gehouden met toevalsvondsten die verband houden met activiteiten in het beekdal: beschoeiingen, visvoorzieningen, vaartuigen (uitgeholde boomstammen), voordes, bruggen en rituele deposities (in de oude beekloop). Op basis van het historische landschap en kaartmateriaal kan worden geconcludeerd dat voor drie puntlocaties binnen het plangebied (zie afbeelding 9, blauwe cirkels) een middelhoge verwachting is op het aantreffen van resten van een brug, of een voorde. Ook heeft er op basis van het historisch kaartmateriaal een oude zandpad het plangebied doorkruist. Er worden op basis van het historisch kaartmateriaal verder geen resten van historische bebouwing of waardevolle cultuurhistorische elementen uit de periode Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd binnen het plangebied verwacht. De historische kaarten laten zien dat zich binnen het plangebied op enkele plekken bij de normalisering meanderbochten afgesneden zijn; hierbij kunnen delen van de oude oevers van de Oostrumse Beek en de Breevennen vergraven zijn.AdviesVestigia Cultuurhistorie & Archeologie adviseert in het plangebied een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) door middel van verkennend boringen in boorraaien haaks op het beekdal uit te voeren om het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen. Hiermee kan worden vastgesteld of er dekzandwelvingen met intacte bodemopbouw binnen het plangebied aanwezig zijn, en worden vastgesteld wat de oorspronkelijke loop van de beide beken was. Dit dient te gebeuren door drie boorraaien te zetten haaks op het beekdal over de gehele breedte van het plangebied (afbeelding 10). In de gebieden met hoge verwachting (de gehele westzijde van het plangebied en de noordoostelijke hoek) worden drie extra kleinere raaien gezet tot aan de loop van de Breevennen. Ook wordt een raai gezet diametraal op de verwachte ligging van het historisch zandpad.Dit onderzoek kan worden uitgevoerd door te boren met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) in een verkennend raaien met boringen om de 25 m. Deze boringen dienen te worden gezet tot 25 cm tot in de top van het dekzand, met een maximum boordiepte van 2 m,5 -mv in het beekdal. In totaal gaat het hierbij om 8 boorraaien over in totaal 1750 m, dat wil zeggen 70 boringen.Op basis van dit onderzoek, afhankelijk van de aard en omvang van de in het inrichtingsplan voorziene graafwerkzaamheden, kan worden bepaald of en waar er vervolgonderzoek nodig is. Afhankelijk van de aard en omvang van de ingrepen, dient bij een intact dekzandprofiel in de dekzandwelvingen/ glooiing van beekddalzijde in het westen en oosten van het plangebied een karterend booronderzoek te worden uitgevoerd. Dit dient te gebeuren door te boren in een grid van 13 x 15 m, ofwel ruim 40 boringen per hectare, volgens methode A3 uit de KNA Leidraad Karterend Booronderzoek (2012); deze methode is geschikt voor het opsporen van middelgrote nederzettingen met een vondstrooiing van overwegend vuursteen. Een dergelijk karterend booronderzoek heeft tot doel vast te stellen of een behoudenswaardige vindplaats aanwezig is binnen het plangebied. Ook bodemgaafheid, bodemgeografie, laagopbouw en bodemstratigrafie komen hierbij aan de orde.Een dergelijk karterend booronderzoek dient ook plaats te vinden indien er aanwijzingen zijn dat resten van het historische zandpad in de ondergrond aanwezig zijn; dit zandpad kan een historische route zijn die zeer lange tijd in gebruik is geweest. Wat betreft de puntlocaties met een middelhoge verwachting op het aantreffen van resten van een voorde of een brug geldt dat bij ingrepen mogelijk archeologisch onderzoek noodzakelijk, afhankelijk van de aard en omvang van de werkzaamheden. Het is dus noodzakelijk om de in het inrichtingsplan voorziene graafwerkzaamheden te confronteren met de blauwe cirkels op afbeelding 9-10. Indien graafwerkzaamheden op die plaatsen kunnen worden vermeden, hoeft hier geen aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd.Het hier voorgestelde aanvullende onderzoek moet uitsluitsel geven of er vervolgstappen in het kader van de verder planontwikkeling in relatie tot de archeologische monumentenzorg (AMZ-cyclus) nodig zijn.Het is aan het bevoegd gezag, de gemeente Venray om op basis van dit rapport en het daarin geformuleerde advies een besluit te nemen ten aanzien van het vervolgonderzoek. Ook nadat het archeologisch onderzoek is afgerond, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische toevalsvondst wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Venray, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
创建时间:
2024-01-31
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务