five

Het Maasdal tussen Eijsden en Mook

收藏
Mendeley Data2024-04-04 更新2024-06-28 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-2ap-ccc9
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
Deze publicatie over de bewonings- en gebruiksgeschiedenis van het Maasdal in Limburg en het aangrenzende Noord-Brabantse deel, van steentijd tot nieuwe tijd, maakt onderdeel uit van het project Oogst voor Malta van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Aanleiding voor het project vormde de constatering dat de archeologische monumentenzorgcyclus stagneerde op het onderdeel interpretatie en synthese. Om dit te ondervangen, laat de RCE rapportages voorkomend uit Malta-onderzoek analyseren en synthetiseren, zodat geografische, chronologische en thematische kennislacunes kunnen worden opgevuld, vragen uit de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) kunnen worden beantwoord en nieuwe vragen kunnen worden geformuleerd. Op deze wijze wordt de kennis over de geschiedenis van Nederland niet alleen geactualiseerd, maar ook aangevuld en waar nodig herzien. Deze synthese beschrijft de bewonings- en gebruiksgeschiedenis van het Maasdal in Limburg en het aangrenzende Noord-Brabantse deel en is vooral gebaseerd op 380 Maltarapporten over gravend archeologisch onderzoek uit de periode 1997-2014. De RCE heeft het Maasdal voor dit project gedefinieerd als de holocene dalvlakte en de aangrenzende laat-glaciale terrassen langs de Maas. Maltaonderzoeken op de met dekzand of löss afgedekte oudere Maasterrassen maakten dus géén deel uit van de opdracht. Het onderzoeksgebied betreft het Maasdal op Nederlands grondgebied tussen Eijsden en Mook, heeft een oppervlakte van 432 km2 en omvat twintig gemeenten. Een belangrijk doel van onderhavig onderzoek is om de grote hoeveelheid gegevens, uit met name gravend onderzoek in het onderzoeksgebied, te onttrekken aan de archeologische basisrapportages en deze in samenhang te presenteren en interpreteren. Voor sommige perioden (bijvoorbeeld middeleeuwen) of complextypen (bijvoorbeeld grafvelden) was het wenselijk om ook enkele onderzoeken mee te nemen die net buiten het onderzoeksgebied lagen. Enkele vragen waarop in deze synthese wordt ingegaan zijn: • welke nieuwe informatie hebben de gravende onderzoeken in (en net buiten) het Maasdal opgeleverd? • in hoeverre passen die gegevens in bestaande modellen, of dienen die modellen aangepastof heroverwogen te worden? • welke nieuwe aardwetenschappelijke informatie is bij archeologisch onderzoek beschikbaar gekomen en wat betekent dat voor de holocene dynamiek van de Maas?Het project en de aanpak van het onderzoek worden in de eerste twee hoofdstukken geïntroduceerd. In het derde hoofdstuk wordt onderzoek in het Maasdal tot aan 2005 gepresenteerd, zoals dat voortvloeide uit onderzoeken in het kader van de Maaswerken/Via Limburg en provinciale syntheses. Het sterk landschappelijk ingestoken archeologische wetenschappelijke beleidsplan en de daarop volgende onderzoeken hebben een solide basis gelegd voor de Malta-jaren na 2004. In hoofdstuk 4 is het Maasdal aardwetenschappelijk ingekaderd en op basis van tektonische ontstaanswijze onderverdeeld in het Kempen Blok, de Roerdalslenk, het Peel Blok en de Venloslenk. De (breedte van de) holocene dalvlakte en laat-glaciale terrasvorming langs de Maas zijn namelijk sterk beïnvloed door de tektonische ontstaanswijze per landschappelijke regio. Dat heeft tevens de mogelijkheden voor bewoning bepaald als ook de mate van conservering van archeologische vindplaatsen. Gezien het specifieke belang voor het Maasdal zijn de thema’s ‘verbruining’, de vermeende plaggendekken langs de Maas en het post-Romeinse zanddek nader uitgediept. De verbruining van Maassedimenten blijkt niet de verklarende factor te zijn voor de in het Maasdal vaak geconstateerde ‘onzichtbare archeologische sporen’: de hoge mate van bioturbatie en oxidatie van organische stof in oudere Maassedimenten is daarvoor verantwoordelijk. Het grote areaal aan bruine enkeerdgronden op de holocene kronkelwaarden en laat-glaciale terrassen langs de Maas betreft geen antropogeen opgebrachte plaggendekken: het gaat overwegend om geleidelijke afdekking van oudere bodems met natuurlijk, door de Maas aangevoerd sediment. OSL-dateringen hebben aangetoond dat het grof-siltige, laat-holocene oeverdek dat op veel locaties aanwezig is in zowel het zuidelijke als het noordelijke Maasdal is afgezet tussen de laat-Romeinse tijd en nieuwe tijd. Nieuw archeobotanisch onderzoek (waaronder pollenprofielen te Well-Aijen en Heijen-Kleefsche Beek) heeft veel kenniswinst opgeleverd over de holocene vegetatie-ontwikkeling en het landgebruik langs de Maas: de introductie van graan in het Maasdal en de doorzettende ontbossing ten gunste van landbouw vanaf vooral de midden-bronstijd kunnen nu beter gevat en begrepen worden. De informatie voor het vroeg- en midden-neolithicum is weliswaar nog spaarzaam, maar van grote waarde gezien de zeldzaamheid van vindplaatsen uit die perioden. Hoofdstuk 5 behandelt de steentijd van het Maasdal en presenteert eerst de stand van zaken, om daarna in te gaan op de resultaten van nieuw onderzoek. Er zijn nieuwe inzichten verkregen voor de perioden mesolithicum en neolithicum, waarvan veel nieuwe, gaaf bewaard gebleven vindplaatsen zijn ontdekt en (deels al) zijn opgegraven. Voor de hoofdperiode mesolithicum zijn de (voor-) onderzoeken te Borgharen-Daalderveld/Pasestraat, Maastricht- Kanjelbeek/Landgoederenzone en Well-Aijen-Werkvak 2 het meest informatief gebleken: de vroeg-mesolithische vindplaatsen liggen er op holocene kronkelwaardruggen en nabij Late Dryas restgeulen, dus in de directe nabijheid van water. Midden-mesolithische en laat-mesolithische vindplaatsen zijn nog weinig onderzocht. Vindplaatsen uit de perioden vroeg-neolithicum B (Rössencultuur, Bischheimfase), het middenneolithicum A (Michelsbergcultuur) en het midden-neolithicum B/laat-neolithicum A (Stein-Vlaardingen complex) zijn in het onderzoeksgebied aanwezig. Er zijn vondstrijke afvaldumps en enkele huisplattegronden uit deze perioden ontdekt en dat toont aan dat men nederzettingen inrichtte op vruchtbare gronden op vroeg-holocene kronkelwaardruggen direct langs de Maas en bij restgeulen op het Late Dryas terras. Te Well-Aijen zijn de oudste graanresten gedateerd rond 4600 v.Chr. Graanteelt en graanverwerking zijn aantoonbaar tussen 4365 en 4200 v.Chr., rond 4000 v.Chr. en in jongere perioden. Het grafritueel in deze perioden onttrekt zich aan onze waarneming, want graven zijn niet aangetroffen. De bekerculturen (laat-neolithicum B) zijn ondervertegenwoordigd in de gegevens. In de hoofdstukken 6 en 7 komen de perioden late prehistorie en de Romeinse tijd aan bod. Het aantal nederzettingen uit de midden-bronstijd dat we nu uit het onderzoeksgebied kennen, is een significante sprong voorwaarts gebleken. In totaal zijn negen of tien erven onderscheiden die samen zes huisplattegronden hebben opgeleverd, waarvan de vroegste uit de midden-middenbronstijd A dateert (1620-1450 v.Chr.). De graven uit de midden-bronstijd en/of het begin van de late bronstijd zijn overwegend solitaire graven, of kleine grafgroepjes. Opmerkelijk vroege dateringen zijn bekend uit het urnenveld van Maastricht-Ambyerveld, dat vanuit de middenbronstijd B een gestage groei gekend lijkt te hebben. Uit de late bronstijd en ijzertijd zijn in de Malta-onderzoeken binnen het studiegebied tientallen nederzettingen voorhanden. De bewoonde terreinen liggen dicht bij elkaar of lopen in elkaar over en vormen mogelijk een aaneengesloten, langdurig bewoond gebied, zoals waargenomen op het Late Dryas terras in Well-Aijen of het Geistingen terras in Itteren-Borgharen. Binnen die gebieden waren vermoedelijk meerdere gelijktijdige huisplaatsen aanwezig vanaf de late bronstijd tot in de midden-ijzertijd. Ook zijn enkele woonplaatsen aanwezig die langduriger en in tijd aaneengesloten bewoond lijken. Dit zijn plaatsvaste nederzettingen en zij komen voor in de vroege ijzertijd en de midden- en late ijzertijd. In het bestand aan graven uit de rnenveldenperiode zijn, evenals uit de midden- en late ijzertijd, solitaire graven en kleine grafgroepen, kleine aaneengesloten grafvelden en grote aaneengesloten grafvelden vertegenwoordigd. Opmerkelijk zijn een aantal grafvelden uit de midden- en late ijzertijd met grote greppelstructuren. Het gaat hier niet om grafmonumenten voor individuele graven, maar om collectieve (grafveld)monumenten. Dergelijke greppelstructuren zijn vastgesteld te Lomm-Hoogwatergeul, Itteren-Emmaus 1, Gronsveld-Duijsterstraat en Schipperskerk-Koeweide. Uit diverse onderzoeken komt veel informatie over landschap, de exploitatie daarvan en de bestaanswijze van de bewoners van het Maasdal in de late prehistorie en Romeinse tijd. In totaal zijn 25 afzonderlijke (ruimtelijk gescheiden) nederzettingsterreinen uit de Romeinse tijd geïnventariseerd, een dataset met verschillende typen van nederzettingen die verwacht mogen worden in deze regio: rurale nederzettingen met en zonder steenbouw, nederzettingen met een bepaalde mate van concentratie rond infrastructuur zoals een weg of een brug, en specifieke gebouwtypes zoals een mansio/statio. De opgravingsrapporten ervan hebben geleid tot behoorlijke (detail)kennis op veel vlakken, met name door specialistisch onderzoek. Anderzijds valt op dat geen enkele nederzetting volledigkon worden onderzocht en dat in veel gevallen nauwelijks informatie is opgedaan omtrent de typering van gebouwen, lay-out en fasering van nederzettingen. In hoofdstuk 8 komen de vroege, volle en late middeleeuwen aan bod. Bekende agrarische/rurale nederzettingen en grafvelden liggen vooral op het hoogste interstadiale terrasniveau. Wat huistype betreft, wordt betoogd dat het Maasdal een overgangspositie lijkt in te nemen ten opzichte van het Maas-Demer-Schelde gebied en het Midden-Nederlandse rivierengebied. Versterkte aristocratische woonplaatsen liggen overwegend in de lage delen van het landschap: de aanwezigheid van water voor het voeden van grachten, verdedigbaarheid in het algemeen en ook de ligging nabij transportroutes, zullen daarvoor de reden zijn. Sporen van ambachtelijke activiteiten (zoals houtskoolproductie, ijzerproductie) zijn ruim vertegenwoordigd en kenmerken het Maasdal. In het tweede deel van het hoofdstuk komen de steden Maastricht, Roermond, Venlo en Gennep aan de orde, steeds op basis van enkele informatieve onderzoeken per stad. Hoofdstuk 9 gaat in op de nieuwe tijd: de waterinfrastructuurlangs de Maas komt hier aan deorde, net als het grote aantal locaties met veldbrandovens. Veldbrandovens liggen met name nabij grote structuren die in baksteen werden opgetrokken. Pas sinds de afgelopen tien jaar is in rapporten structureel meer aandacht voor de Tweede Wereldoorlog. Het complextype loopgraaf blijkt het meest te zijn gedocumenteerd, hetgeen niet verwonderlijk is, gezien het grote aantal loopgraven dat vooral in de laatste oorlogsjaren langs de Maas is gegraven, toen het front daar stabiliseerde. Hoofdstuk 10, ten slotte, behandelt de archeologie van het Maasdal in negen thema’s: van landschap en neolithisering tot de Tweede Wereldoorlog. Dit hoofdstuk biedt de nieuwe inzichten die zijn verkregen voor de hoofdthema's die voorafgaand aan het onderzoek zijn opgesteld. Die inzichten, die in de diverse hoofdstukken chronologisch aan de orde zijn gekomen (zie hierboven), zijn daar per thema gerangschikt. Daarin bevinden zich ook de onderzoeksvragen voor toekomstig onderzoek. Deze 70 vragen hebben betrekking op de kennislacunes ten aanzien van het landschap, de steentijd en neolithisatie, de metaaltijden, de Romeinse tijd en de middeleeuwen.
创建时间:
2023-06-28
5,000+
优质数据集
54 个
任务类型
进入经典数据集
二维码
社区交流群

面向社区/商业的数据集话题

二维码
科研交流群

面向高校/科研机构的开源数据集话题

数据驱动未来

携手共赢发展

商业合作