Abbekesdoel 22a te Bleskensgraaf, gemeente Molenwaard
收藏DANS Data Station Archaeology2018-12-09 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-XNY-39EK
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>ADC ArcheoProjecten heeft in juli 2017 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op het terrein van de Nationale Bomenbank aan de Abbekesdoel 22a te Bleskensgraaf, gemeente Molenwaard. Aanleiding is de voorgenomen inrichting van een park met tien verspreide woningen. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Hieruit volgt dat het plangebied lange tijd in een drassig komgebied heeft gelegen met weinig gunstige bewoningsomstandigheden. In het Mesolithicum heeft de Vuilendamse stroomgordel door het noorden van het plangebied gelopen. De beddingafzettingen hiervan bevinden zich op ca. 8 m – mv. Mogelijk kunnen zich in de top van de bedding- en oeverafzettingen van deze stroomgordel nog archeologische resten uit het Mesolithicum bevinden, hoewel de hoger gelegen rivierduinen in deze periode meer de voorkeur hadden voor bewoning. In het Laat-Neolithicum en de Vroege Bronstijd heeft de Schoonrewoerdse stroomgordel nabij de noordoostelijke punt van het plangebied gelopen. In deze zone worden bedding- en oeverafzettingen van deze stroomgordel verwacht op 1 à 1,5 m –mv. De top van de oever was mogelijk geschikt voor bewoning gedurende het Laat- Neolithicum en een deel van de Bronstijd. Op basis van de gemeentelijke verwachtings- en beleidsadvieskaart en hoogtegegevens van het AHN zijn in de noordelijke helft van het plangebied mogelijk crevasse-afzettingen aanwezig die vanuit deze stroomgordel zijn gevormd. Ook deze locaties vormden mogelijk gunstige vestigingslocaties, hoewel deze minder geschikt waren voor bewoning dan de bredere oeverwallen. Deze afzettingen worden eveneens op 1 à 1,5 m –mv verwacht. Gedurende de Bronstijd vond opnieuw veenvorming plaats en kwam het plangebied in een drassig komgebied te liggen. In deze periode heersten er natte omstandigheden en waren de bewoningsomstandigheden ongunstig. Er worden dan ook geen resten verwacht uit de periode van na de Vroege Bronstijd. Het komgebied waar het plangebied deel van uitmaakte, werd in de 13e eeuw ontgonnen. In deze eeuw ontstond het bewoningslint van Bleskensgraaf. Het plangebied bevindt zich direct ten zuiden van dit bewoningslint. Naar verwachting is het plangebied vanaf de ontginning overwegend in gebruik geweest als weiland. Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden daarom niet verwacht. Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens het booronderzoek is in de meeste boringen een gelaagd pakket ongerijpte, matig siltige klei met plantenresten, en mineraalarm tot kleiig veen aangetroffen. In het noordoosten van het plangebied is een mogelijke restgeul van de Schoonrewoerdse stroomgordel aangeboord op 100 à 150 cm –mv, bestaande uit ongerijpte, sterk siltige klei met veel zandlagen en plantenresten. In boring 27 zijn ongerijpte oeverafzettingen aangetroffen op 210 cm - mv. In boring 28 en 31 zijn mogelijke crevasse-afzettingen aanwezig op 60 à 80 cm –mv, bestaande uit matig grof, grijs zand. Op basis hiervan is vastgesteld dat in het plangebied lange tijd drassige omstandigheden geheerst hebben. Dergelijke locaties vormden ongunstige vestigingslocaties. De oeverklei die in boring 27 is aangetroffen is ongerijpt en er zijn geen ontkalkte of humeuze lagen in aangetroffen. Dit duidt erop dat de oeverafzettingen waarschijnlijk niet lang aan het oppervlak gelegen hebben en bewoning op deze locatie niet mogelijk was. Binnen de mogelijke crevasseafzettingen in boring 28 en 31 zijn geen humeuze of ontkalkte lagen aangetroffen, die als bewoningslagen bebouwd kunnen worden. Ook zijn geen aanwijzingen voor bewoning in latere perioden aangetroffen, zoals de aanwezigheid van een woonheuvel of bebouwing op historische kaarten. Archeologische resten worden daarom niet meer verwacht. ADC ArcheoProjecten adviseert daarom om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.</p>
提供机构:
ADC ArcheoProjecten
创建时间:
2018-12-10



