Bureauonderzoek tracé Dronten 10 kV en 20 kV
收藏DataCite Commons2026-05-08 更新2026-05-10 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/EPTEHN
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>In juni 2025 is in opdracht van Liander N.V. door Antea Group een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerdvoor 10 kV en 20 kV tracé in Dronten (gemeente Dronten). Aanleiding voor het onderzoek is de geplande aanlegvan een nieuwe stroomkabel in het gebied. Het bureauonderzoek is uitgevoerd volgens de BRL 4000Archeologie, protocol 4002 Bureauonderzoek.Het tracé is circa 51 kilometer in lengte. In totaal zal er circa 6.526 m worden aangelegd via sleufloze techniekenwaaronder ondergrondse boringen vallen. De overige delen worden in open ontgraving aangelegd.Uitgangspunt hierbij is dat in openbare grond de sleuven een maximale breedte hebben van 3,8 m met eendiepte van 1,1 m-mv. In particuliere grond is dit 4,4 m breedte en 1,6 m-mv in de diepte.Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerdearcheologische verwachting voor het plangebied. Waar kunnen we wat verwachten? Voor het opstellen van eendergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historischekaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerdeverwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van)verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied.ResultatenVanwege de grote oppervlakte van het plangebied is het lastig om een eenduidige archeologische verwachtingte geven. Op basis van de omliggende onderzoeken en de landschappelijke kenmerken kan het gebied wordenopgedeeld in twee delen: het laaggelegen gebied en de hoger gelegen delen met dekzandkoppen. Op dedekzandkoppen heeft bodemvorming kunnen optreden, wat wijst op het (lang genoeg) droog liggen van dezekopjes. Hierdoor zullen dit aantrekkelijke locaties zijn geweest voor bewoning, in een overwegend natlandschap.Vanaf het laat-neolithicum begon het gebied nog sterker te vernatten, waardoor delen van Flevolandonderwater kwamen te staan. Voor de periode laat-neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen is deverwachting dan ook wisselend. Daar waar het veen nog bovenwater uit stak, is bekend dat nog tot in de vroegemiddeleeuwen bewoning is geweest. Het grootste deel van het plangebied zijn echter dan al onder waterkomen te staan, wat eventuele vindplaatsen ook kan hebben geërodeerd.Voor de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd geldt een onbekende verwachting op scheepswrakken enhun inventaris. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere wrakken bekend, sommigen verkend enenkelen ook verwijderd. Aangezien het tracé voornamelijk in wegbermen is gelegen, wordt niet verwacht dathier wrakken liggen, die zouden dan waarschijnlijk al aangesneden zijn. Wel kunnen delen van de inventarisworden aangetroffen. Dit is echter niet te voorspellen, vandaar dat hier een archeologische verwachting geldtmaar dat de duiding van de locatie minder eenduidig is.Advies Antea Group:Aangezien de verwachting sterk afhankelijk is van de intactheid van de bodemopbouw, wordt geadviseerd omop de locaties waar een hoge tot middelhoge verwachting geldt een inventariserend veldonderzoek doormiddel van verkennende boringen uit te voerden. Dit betreft deelgebieden A, B, C, D, en E. In dezedeelgebieden bestaat de kans dat het dekzand binnen de ontgravingsdiepte ligt. Voor deelgebied A is ditminder zeker. Toch wordt hier een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringengeadviseerd, zodat het gebied in kaart kan worden gebracht en er een beter inzicht in het groter reliëf kanworden verkregen.De methode – een verkennend booronderzoek bestaande uit 6 boringen per hectare of 1 boring per 50strekkende meter in het geval van tracés - is er niet primair op gericht om archeologische resten aan tetreffen (hiervoor is de gehanteerde boordichtheid en –intensiteit te gering), maar is wel uitermate geschiktom:1) de aard van bodemopbouw en2) de mate van intactheid van de oorspronkelijke bodemopbouw inclusief de archeologische sporendragendeniveaus te bepalen. Voor de delen van het plangebied die binnen 100 m van een bekend scheepswrak liggen wordt geadviseerdom de werkzaamheden uit te voeren onder archeologische begeleiding (protocol proefsleuven – variantarcheologische begeleiding 4003).Voor de overige deelgebieden geldt een lage verwachting op sporen en resten door de diepteligging van hetdekzand, maar ook de omliggende onderzoeken die een verstoord of niet-ontwikkeld bodemprofiel tonen. Erwordt geadviseerd om de geplande werkzaamheden zonder nader archeologisch onderzoek uit te voeren.Voor de delen van het plangebied waar al riolering, water- en gasleidingen aanwezig zijn geldt géénverwachting meer. Hier wordt vrijgave van het gebied voor de geplande werkzaamheden geadviseerd.Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdensgraafwerkzaamheden toch sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van deErfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (deRijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk ofprovinciaal archeoloog kan ook.Selectie besluit:Op 16-10-2023 is het bureauonderzoek beoordeeld door de gemeente Dronten in de persoon van Nynke Ekker-Hemminga.De conclusie van de beoordeling van de Gemeente Dronten luidt: “De ingreep is relatief breed en biedt daardooreen redelijke inkijk. Er is geen onderscheid gemaakt tussen bestaande nutsstroken en nieuwe ontgraving. Terwijleen groot deel in of naast de kabelstroken ligt. De ingreep raakt qua diepte in A, B, D aan top pleistoceneopduiking.” Het advies van de gemeente Dronten luidt: “Alleen de opduikingen (Top Pleistoceen < 1.1 m – mv)bij open ontgravingen laten uitboren, mits deze buiten de bestaande nutsstrook valt, anders kan booronderzoekachterwege blijven. Indien het booronderzoek resultaten op levert, moeten men deze gebieden bij decivieltechnische uitvoering archeologisch laten begeleiden. Daarbij moet wel voldoende tijd en ruimtebeschikbaar worden gemaakt tijdens de uitvoering. De rest van de ingreep kan vrijgeven worden. Gebieden terplaatse van scheepswrakken dienen archeologisch begeleid te worden. De gemeente keurt het rapport goed enontvang een aangepaste definitieve versie.”Het bevoegd gezag heeft daarmee aangegeven dat in de gebieden A, B en D booronderzoek noodzakelijk is. Ditwijkt af van het oorspronkelijke advies van Antea Group, waarin booronderzoek werd aanbevolen voor degebieden A, B, C, D en E. Het selectiebesluit is verwerkt in deze rapportage (revisie 01).</p>
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2026-04-20



