Dorpsstraat ongenummerd te Bergharen, gemeente Wijchen
收藏DataCite Commons2025-12-05 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/7HPUXH
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Het plangebied strekt zich uit over de noordelijke uitloper van het rivierduinencomplex van Heumen-Horsen. Rivierduinen werden van oudsher vanwege hun hogere ligging en makkelijk bewerkbare gronden voor bewoning, landbouw of begraving uitgekozen. Op grond van bekende
archeologische vindplaatsen moet in het centrale en zuidelijk deel van het plangebied rekening worden gehouden met resten uit met name de periode Neolithicum t/m Vroege Middeleeuwen. Hiervoor geldt dan ook een hoge archeologische verwachting. Op basis van de vormingsgeschiedenis van rivierduinen kunnen ook oudere resten, van jager-verzamelaars uit het LaatPaleolithicum en Mesolithicum, worden aangetroffen.</p><p>
Resten uit de periode Laat-Paleolithicum t/m Mesolithicum zullen bestaan uit een strooiing van vuursteen en houtskool alsmede ondiepe grondsporen in de vorm van haardkuilen. Resten uit de periode Neolithicum t/m Vroege Middeleeuwen zullen uit paalkuilen, waterputten, greppels en spit- of haksporen bestaan en zich in de top van de onverstoorde duinafzettingen, direct onder een bouwvoor, aftekenen en, uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten, tot circa een halve meter in dit pakket reiken. Het voormalig loopoppervlak met inbegrip van een eventuele vondstlaag zal zich onderin de bouwvoor bevinden. </p><p>
In de Late Middeleeuwen ontstond ten oosten van het plangebied het huidige dorp Bergharen. Hoewel het plangebied aan een oude doorgaande weg (Dorpsstraat) is gelegen, bieden historische kaarten geen aanknopingspunten voor de aanwezigheid van bebouwing. Daarom geldt een lage verwachting voor bewoningssporen uit de periode Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd. Wel kunnen
sporen van ontginning of landbewerking uit deze periode worden aangetroffen.</p><p>
Om bovenstaande verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hierbij is vastgesteld dat de ondergrond wordt gevormd door rivierduinafzettingen (Laagpakket van Delwijnen, Formatie van Boxtel) bestaande uit matig grof zand, die in het westelijk deel van het plangebied (boringen 4 en 5 en mogelijk ook boring 2) zijn afgedekt met een pakket komafzettingen (Formatie van Echteld) bestaande uit kalkloze, zwak zandige klei. De zandbijmenging is mogelijk het resultaat van erosie of verwaaiing van de top van de aanwezige duinafzettingen. De bovengrond heeft in het westelijk deel van het plangebied een dikte van 60 tot 85 cm en bestaat uit omgewerkte of opgebrachte klei- en zandlagen. De bovengrond in het oostelijk deel heeft een
dikte van 70 tot 95 cm en bestaat uit veelal humushoudend zand en is ontstaan door landbouwkundige bodembewerking en verrijking met organisch materiaal.</p><p>
De top van de onverstoorde rivierduinafzettingen in de boringen 1, 3 en 6, die in het oostelijk deel van het plangebied zijn verricht, wordt als een potentieel archeologisch sporenniveau beschouwd. De bovenkant van dit niveau bevindt zich op 70 à 95 cm -mv (circa 6,25 tot 6,00 m +NAP). In dit deel van het plangebied dient de hoge verwachting voor het aantreffen van resten uit de periode Neolithicum t/m Vroege Middeleeuwen worden gehandhaafd. Voor het aantreffen van resten uit de
periode Laat-Paleolithicum t/m Mesolithicum dient deze vanwege het ontbreken van een oude bodem naar laag te worden bijgesteld. In het westelijk deel van het plangebied kunnen beide verwachtingen op basis van het veldonderzoek naar laag worden bijgesteld. De lage verwachting voor het aantreffen van resten uit de periode Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd kan in het gehele plangebied worden gehandhaafd.</p><p>
ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling op voorwaarde dat in het oostelijk deel van het plangebied bij de bouw van de woningen en aanleg van nutsvoorzieningen geen bodemingrepen dieper dan 6,55 m +NAP (hoogste voorkomen intacte duinafzettingen inclusief een buffer van 30 cm) plaatsvinden. Ten aanzien van de waterpoelen/wadi’s wordt planaanpassing aanbevolen, waarbij deze minder diep of in het westelijk deel van het plangebied worden aangelegd.</p><p>
Indien niet aan bovengenoemde voorwaarden kan worden voldaan, worden een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) geadviseerd. Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de aanwezigheid van archeologische resten alsook de gaafheid, omvang, datering en conservering daarvan. De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).</p><p>
In het westelijk deel van het plangebied wordt ongeacht de diepte van de bodemingrepen geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten
te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. De melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Wijchen.</p>
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2025-12-04



