Transect-rapport: Sleeuwijk, 't Zand 11. Gemeente Altena (NB). Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase.
收藏DANS Data Station Archaeology2022-08-10 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-X46-CXPQ
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>Op basis van het archeologisch bureauonderzoek is geconstateerd dat het plangebied op kreekafzettingen ligt, die zijn afgezet ten tijde van de St. Elizabethsvloed van 1421. Na de overstroming waren deze afzettingen landschappelijk gezien een zeer aantrekkelijke plaats voor de aanwezigheid van nederzettingsresten uit de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd vanwege de relatief hoge en droge ligging ervan. Na de overstroming concentreerde de eerste bewoning zich in eerste instantie langs de dijk, zoals is te zien op de kaart van 1730, maar waren alle zandige afzettingen in theorie bewoonbaar. In de omgeving van het plangebied is door middel van gravend onderzoek dat er na de overstroming ten zuiden van de dijk al activiteiten plaatsvonden, maar bebouwing moet nog worden aangetoond. Op de Kadastrale Minuut 1811-1832 is er al bebouwing in de omgeving van het plangebied aanwezig. Om deze reden is het niet uit te sluiten dat eventuele voorgangers van de historische bebouwing in het plangebied aanwezig zijn, en kent het gebied een hoge archeologische verwachting voor de periode Late Middeleeuwen (na 1421) – Nieuwe Tijd. In de omgeving van het plangebied zijn nog geen intacte bewoningslagen aangetroffen onder de kreekafzettingen. Dergelijke lagen zouden zich in de klei aftekenen als een humeuze laklaag en in de top van het veen als een ontwaterde/veraarde laag die zwart van kleur is. Aangezien het plangebied ook niet gelegen is op een oude stroomrug, is het onwaarschijnlijk dat het plangebied bewoonbaar is geweest voor de St. Elizabethsvloed, of dat eventuele bewoonbare lagen door deze vloed zijn geërodeerd. Op basis van de gegevens in het Dinoloket bevinden pleistocene afzettingen zich op -10,7 m NAP. Deze afzettingen bevinden zich op een dermate grote diepte dat een archeologische verwachting hierop binnen het kader van het huidige onderzoek niet te toetsen is en dus onbekend is. De aanwezigheid van veen op de pleistocene afzettingen wijzen op natte omstandigheden aan het begin van het Holoceen, wat het gebied onaantrekkelijk maakt vanaf het begin van het Mesolithicum. Om deze reden geldt er een lage archeologische verwachting voor de periode Mesolithicum – Late Middeleeuwen (tot 1421).</p><p>Op basis van het veldonderzoek kan de hoge archeologische verwachting van het bureauonderzoek gehandhaafd blijven. Uit het veldonderzoek blijkt dat onder de bouwvoor sprake is van een archeologisch relevant ophogingspakket. Dit ophoogpakket is direct onder de moderne bouwvoor aan te treffen, vanaf een diepte van 30 en 55 cm -Mv (0,24 – 0,05 m +NAP). Het ophogingspakket bevindt zich boven op de kreekafzettingen van de St. Elizabethsvloed van 1421. De top van de kreekafzettingen bevindt zich in het westen van het plangebied op 90 cm -Mv (0,3 – 0,36 m -NAP). In het oosten van het plangebied bevindt de bovenkant van de kreekafzettingen zich tussen de 160 en 130 cm -Mv (0,77 – 0,8 m -NAP). In de komafzettingen onder de kreekafzettingen en de dieper gelegen veenlagen, vanaf een diepte tussen de 175 en 185 cm -Mv (1,31 – 1,15 m -NAP), zijn geen archeologisch relevante niveaus aangetroffen.</p>
提供机构:
Transect
创建时间:
2022-02-16



