Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (4656.001) Zutphensestraatweg 1 te Velp
收藏DANS Data Station Archaeology2019-09-04 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-Z4M-NUC5
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>Gespecificeerde archeologische verwachting<br>Vanuit het bureauonderzoek is de verwachting hoog op het aantreffen van archeologische resten uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Middeleeuwen. Het plangebied ligt namelijk binnen de lagere delen van een daluitspoelingswaaier die mogelijk bedekt is met een (dunne) laag (gordel)dekzand, als overgangs-/randzone van de ten noordwesten gelegen Veluwse stuwwal naar de ten zuidoosten gelegen rivieroverstromingsvlakte van de Gelderse IJssel. De gradiëntzones van de stuwwalglooiingen dan wel daluitspoelingswaaiers (al dan niet bedekt met dekzand) zullen in principe al voor Jagers-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) een gunstige ligging hebben gehad als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen). Vanaf het Neolithicum zal het plangebied ook geschikt zijn geweest als nederzettingslocatie voor Landbouwers. De gordeldekzandgronden waren van nature voldoende gedraineerd en daarmee mede geschikt als landbouwgronden. Op basis van het historisch gebruik wordt verwacht dat er binnen het plangebied een (dik) plaggendek is opgebracht vanaf in ieder geval het begin van de tweede helft van de 18e eeuw en waarschijnlijk al eerder. Alleen voor de periode Nieuwe tijd wordt de kans laag geacht. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat namelijk zien dat het plangebied vanaf de tweede helft van de 18e eeuw altijd onbebouwd is gebleven.</p><p>Resultaten inventariserend veldonderzoek<br>Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) blijkt dat de aangetroffen bodemopbouw tot circa 2 m -mv bestaat uit een halfverhardingslaag, een aangebrachte stabilisatielaag van lichtbruin tot lichtgrijsbruin gekleurd, zwak grindig, matig siltig, matig grof zand en hieronder nog een geroerde/verstoorde laag dan wel een laag teruggestorte grond van grijsbruin en naar onderen toe lichtgrijsbruin tot lichtgrijs gekleurd, zwak tot sterk grindig, matig tot sterk siltig, matig grof zand. Wat het oorspronkelijke bodemprofiel binnen het plangebied is geweest kan op basis van de gezette boringen dan ook niet meer worden bepaald en is dan ook volledig afgegraven. <br> <br>Conclusie<br>Vanwege de diep verstoorde bodemopbouw kan worden geconcludeerd dat archeologische resten en sporen niet meer binnen het plangebied verwacht en zijn ook niet aangetroffen. Indien deze aanwezig zijn geweest dan zijn deze vergraven waarschijnlijk voorafgaand aan de bouw van de bestaande stoeterij die langs een groot deel van de grens van het plangebied staat. Er zijn dan ook geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen.</p><p>De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, wordt door het booronderzoek bevestigd voor wat betreft de landschappelijke ligging/paleogeografische ontwikkeling van het plangebied, echter niet voor wat betreft de hoge verwachting op het aantreffen van archeologische indicatoren daterend vanaf het Laat-Paleolithicum. De hoge archeologische verwachting voor archeologische indicatoren daterend vanaf het Laat-Paleolithicum kan dan ook worden bijgesteld naar geen verwachting.</p><p>Advies<br>Op grond van de resultaten van het archeologisch vooronderzoek adviseert Econsultancy om, binnen het kader van de AMZ-cyclus, geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Binnen het gehele plangebied is de oorspronkelijke bodemopbouw reeds diep ontgraven, waarschijnlijk voorafgaand aan de bouw van de bestaande stoeterij die langs een groot deel van de grens van het plangebied staat. In het deel van de bouwput waar geen bebouwing staat is vervolgens grond teruggestort en afgedekt met een halfverhardingslaag die waarschijnlijk overal onder de met klinkers verharde terreindelen voorkomen rondom de stoeterij.</p><p>Wel dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016) kenbaar te worden gemaakt om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waar-van hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. Het verdient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Rheden (mevrouw M. Sanderman) en diens adviseur (de heer J. Habraken, regioarcheoloog regio Arnhem e.o.) hiervan per direct in kennis te stellen.</p>
提供机构:
Econsultancy
创建时间:
2019-08-30



