Tilburg, Charlotte-Oord Fase 3
收藏DataCite Commons2025-12-15 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/O5PARK
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
In dit rapport worden de resultaten gepresenteerd van het archeologisch
proefsleuvenonderzoek, het waarderend zeefonderzoek en het landschappelijk/
aardwetenschappelijk onderzoek in het plangebied Tilburg-Charlotte-Oord
fase 3 (gemeente Tilburg). De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen
bouw van woningen in het plangebied, waarbij een gerede kans bestaat dat
archeologische waarden vernietigd zullen worden.
De locatie maakt deel uit van een reliëfrijk dekzandgebied, met een afwisseling
van dekzandruggen en laagten. De paleogeografische kaart maakt duidelijk
dat het plangebied zich bevindt in een complex van zuidwest-noordoost
georiënteerde landduinen (dekzandruggen, al dan niet met stuifzandkopjes).
Binnen het onderzoeksterrein zijn met boringen enkele potentierijke zones met
hogere dekzandruggen vastgesteld. Op basis van omliggende waarneminge
en enkele vondsten uit de boringen worden binnen dit gebied archeologische
resten uit de steentijd verwacht, met aanwijzingen voor bewoning, jacht,
verzamelen en artefactproductie (bijvoorbeeld been, gewei, natuursteen,
vuursteen). Daarnaast wordt verwacht dat informatie te vergaren is betreffende
het gebruik van het landschap voor akkerbouw en infrastructuur.
Het archeologische onderzoek voor het plangebied Tilburg-Charlotte-oord fase
3 vormt de eindfase van een serie archeologische onderzoeken op dit terrein,
te weten een proefsleufonderzoek (Tilburg-Charlotte-oord fase 1), karterend
booronderzoek (Tilburg-Charlotte-Oord fase 2). Uit de vooronderzoeken is
geconcludeerd dat een deel van het terrein vanaf de vroege prehistorie (kortstondig) bewoond of gebruikt kan zijn geweest. Verder zijn ook aanwijzingen
gevonden van menselijke activiteiten in de vroege bronstijd (vlakbij fase 3),
de middeleeuwen en de nieuwe tijd (bebouwing en verplaatsing van het
hersteloord Charlotte-Oord).
Tijdens het onderzoek voor fase 3 zijn in totaal zes zeefputten (WP 1 t/m 6),
zeven proefsleuven (WP 7 t/m 13) en drie landschappelijke sleuven op
verschillende niveaus (vlak 1 t/m 2) aangelegd met een totale oppervlakte van
1.540 m2. Spaarzame grondsporen zijn aangetroffen op twee archeologische
niveaus: in de top van de zandige stuifzandafzettingen en in de top van
dekzandafzettingen van Jong Dekzand 2.
Wat betreft steentijd gericht zeefvak onderzoek is op basis van de laterale en
verticale verspreiding van het vondstmateriaal vastgesteld dat bij de vooraf
onderscheiden vindplaatsen 1-6, 2.1 en 4.1 geen sprake is van behoudenswaardige
archeologische vindplaatsen. De horizontale- en verticale vondstverspreiding leverde geen duidelijke zonering op. Een typologische indeling
kon niet worden gemaakt vanwege het beperkte spectrum van de artefacten
(bijna alleen splinters), de zeer kleine afmetingen van de artefacten (met
een maximale lengte tot 1 cm), het zeer lage gewicht (het gewicht van de
meeste artefacten is niet groter dan enkele milligrammen), de afwezigheid
van werktuigen, halffabricaten, kernen en de afwezigheid van specifieke
grondstoffen (‘raw material units’). Het natuursteen bleek onbewerkt
te zijn. Deze kenmerken tonen aan dat de vuursteenassemblage van het
hier besproken zeefonderzoek, geen kenmerken heeft van een typische
steentijdsite. Op basis van de verzamelde gegevens blijkt dat eerder sprake is
van pseudovindplaatsen die zijn ontstaan door post-depositionele verplaatsing
van klein vuursteenmateriaal uit een andere site of uit meerdere sites die in de
omgeving lagen (bijvoorbeeld bij het Kraaiven). Op het onderzochte terrein
komen de splinters en andere kleine vuursteenfragmenten los verspreid voor,
op diverse diepten en in verschillende bodemhorizonten. De afmetingen van
de artefacten is klein en hun gewicht is laag. Ze kunnen dus makkelijk door de
wind verplaatst zijn, waarmee in dat geval per definitie geen sprake meer is van
een in situ vindplaats. De verzamelde vuursteenartefacten zijn ook zo licht, dat
geen sprake is van verplaatsing door saltatie (sprongsgewijs en korter transport
van iets grover materiaal). Het vermoeden bestaat dat in de nabijheid van het
onderzochte terrein in het laat-Pleistoceen of vroeg-Holoceen een oud maaiveld
door de wind is geërodeerd, waarbij materiaal (zandkorrels en ook kleine
vuursteenfragmenten) is verplaatst.
Op basis van vooronderzoek is binnen het plangebied één archeologische vindplaats aanwezig: vindplaats 1 met sporen van infrastructuur (weg/pad) en sporen van landinrichting en –gebruik (perceelsgreppels en grondbewerkingssporen) uit de nieuwe tijd. Sporen van deze vindplaats zijn ook tijdens fase 3 van het onderzoek vastgesteld.
Het onderzoek inclusief enkele OSL-dateringen en 14C-dateringen heeft een
zeer gedetailleerd beeld opgeleverd van de paleogeografische en bodemkundige
ontwikkelingen binnen het plangebied vanaf het Midden-Pleniglaciaal
(ca. 34 ka), via het Laat-Pleniglaciaal (ca. 20-14,6 ka), Laat-Glaciaal (vanaf
ca. 14,6 ka) en Holoceen (na 10 ka) tot in recente tijden. In een groot deel van
het plangebied zijn in de ondergrond leemrijke afzettingen van het middentot
laat-pleniglaciale Oude Dekzandlandschap aanwezig met lokale ondiepe
uitstuivingslaagten en enkele laatglaciale smeltwatergeulen. Dat landschap
is tijdens zowel de Oude Dryas als de Jonge Dryas afgedekt geraakt met Jong
Dekzand 1 en 2.
Het meest noordelijke deel van landschapssleuf 1 (de eerste 5 m) ligt op een
dekzandrug. In de top van het dekzand heeft zich een dunne humuspodzol
ontwikkeld. De humuspodzol heeft zich ontwikkeld in Jong Dekzand 2b
(JDZ-2b).Op de dekzandkop komt onder het JDZ-2b een dunne laag matig fijn,
licht gelaagd zand voor (Jong Dekzand 1). In de top van dit fijnere zandpakket
is lokaal de Laag van Usselo nog aanwezig, die echter ook deels weer uitgestorven is.
Tijdens het Bolling Interstadiaal ontwikkelde zich in het noordwestelijke deel
een zwak gebleekte smeltwaterbodem, die echter richting het zuidoosten
steeds beter te herkennen is door een sterkere bleking. De bodem betreft het
zogenaamd Lower Loamy Bed en heeft zich vooral ontwikkeld op plekken
waar lemige afzettingen relatief ondiep voorkomen. Deze bodem loopt in
zuidoostelijke richting op van 11,5 naar circa 12,0 m +NAP. Tijdens het Bolling
Interstadiaal voerde een smeltwatergeul ter hoogte van profiel 101 (5-24 m) en
ter hoogte van profiel 301 nog regelmatig water af.
Ten zuiden van de noordelijke dekzandwelving verdwijnt het paleomaaiveld uit
het Laat-Glaciaal (Laag van Usselo) uit het profiel. Hier loopt de dekzandwelving
via een convexe helling (met veel Fe- en Mn-vlekken) over in de richting van een
smeltwatergeul in het landschap. Deze smeltwatergeul (nu een droog dal) is
opgevuld met fluvioperiglaciale afzettingen (zwak zandige leem afgedekt door
sterk siltig, matig gesorteerd, zeer fijn tot matig grof, parallel gelaagd zand).
In de top van de geulvulling komt lokaal wat fijn grind voor (gerold vuursteen).
Ten zuidoosten van de smeltwatergeul zijn nog twee dekzandruggen van
Jong Dekzand 1 gedocumenteerd, waarop in beide gevallen onder het Jong
Dekzand 2 ook de Laag van Usselo nog aanwezig is. De Laag van Usselo is in het
zuidelijke deel van het profiel echter niet goed meer te herkennen.
Vanaf het Vroeg-Holoceen heeft zich in de top van het dekzandlandschap een
humuspodzol gevormd. In het hele gebied is dat een droge haarpodzol geweest,
die echter op veel plaatsen ook opnieuw verstoven is, waarna zich een nieuwe
en minder dik ontwikkelde podzol vormde. Vanaf de late middeleeuwen is
als gevolg van ontbossingen en overexploitatie het dekzand op grote schaal
verstoven waarbij uitblazingslaagten ontstonden en het meest zuidoostelijke
deel overdekt is geraakt met nieuwe lagen stuifzand.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2025-12-11



