Bureauonderzoek. Brainport Industrie Campus II (BIC II) te Eindhoven
收藏Mendeley Data2024-05-10 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/NVYVXO
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
In september 2022 is in opdracht van SDK Vastgoed door Antea Group een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor Brainport Industries Campus II (BIC II) in Eindhoven (gemeente Eindhoven). De aanleiding voor het onderzoek is de herontwikkeling van agrarisch gebied naar een campus/bedrijventerrein voor de hightech maakindustrie. Hiertoe wordt er voor het plangebied (met een oppervlakte van ca. 52 ha) een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Bij de realisatie van de campus met bedrijventerrein kunnen eventuele archeologische resten worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient als onderbouwing voor de ruimtelijke procedure. Een bureauonderzoek is de eerste stap binnen de Archeologische Monumentenzorg (AMZ, zie bijlage 2). Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied. Conclusies Het plangebied ligt binnen het Brabants zandlandschap, en in de centrale slenk. Aan het maaiveld ligt een pakket dekzand van bijna 30 m dik waarbinnen lemige lagen voorkomen. In de laagste gedeeltes van het landschap zouden in het verleden vennen aanwezig geweest kunnen zijn. Volgens de archeologische verwachtingskaart heeft het plangebied een hoge en een lage archeologische verwachting. De hoge archeologische verwachting is in het noordnoordwesten van het plangebied aanwezig voor resten uit de Tweede Wereldoorlog. Met betrekking tot de zone met verwachting Tweede Wereldoorlog is het gebied met bestaande bebouwing niet uitgesloten. Uit ondergrondse bouwhistorische gegevens blijkt dat dit gebied na de Tweede Wereldoorlog al verstoord is geraakt. Voor het meso- tot en met midden neolithicum is de verwachting ‘middelhoog’. Dit omdat binnen het plangebied overgangszones van laag (nat) naar hoger (droog) liggen, die ook op de hoogtekaart als microreliëf zichtbaar zijn. Deze overgangs- of gradiëntzones zijn interessant voor bewoning, omdat hier veel soorten planten verzameld en dieren en vis gejaagd konden worden. Archeologische vondsten uit het mesolithicum tot en met midden neolithicum kunnen met name aanwezig zijn op de gradiëntzones van vennen die mogelijk in het verleden aanwezig waren binnen het plangebied. Voor de periode laat neolithicum – Nieuwe Tijd is de verwachting ‘laag’, aangezien het plangebied vrij laag ligt ten opzichte van nabijgelegen dekzandruggen\-koppen. Voor landbouwersgemeenschappen vanaf laat-neolithicum zijn dergelijke iets hoger gelegen gronden gunstiger voor bewoning. Het is niet uitgesloten dat lagergelegen delen, zoals het plangebied, zijn gebruikt als hooiland of weide. Dit is echter archeologisch niet traceerbaar middels een vervolgonderzoek. Ook op historische kaarten is geen duidelijke bewoning aangeven. Advies Het advies luidt om in de zone met een hoge archeologische verwachting voor resten uit de Tweede Wereldoorlog (ca. 12,4 ha) archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren in de vorm van een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven (IVO-P), indien er grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden. Hiervoor dient een programma van eisen te worden opgesteld. Voor de gebieden met mogelijke vennen wordt een archeologisch booronderzoek geadviseerd om te bepalen of de in dit bureauonderzoek waargenomen hoogteverschillen met vennen samenhangen. Dit kan worden uitgevoerd met enkele boorraaien bij alle oevers op de gradiëntzone van de mogelijke vennen, die op het AHN duidelijk te zien zijn. De vennen zelf kunnen (bij het aantreffen ervan) worden vrijgegeven omdat deze erg laaggelegen zijn en de kans op archeologie nihil is, maar de oevers en gradiëntzones niet omdat deze juist aantrekkelijk waren voor de mens, en zeker als er sprake is van voldoende intacte podzolbodems. Dat wil zeggen: als er tenminste een B-horizont aanwezig is. Als dat het geval is, is er een trefkans op archeologische resten uit het mesolithicum - midden neolithicum. Er wordt geadviseerd om binnen een raai boringen uit te voeren om de 20m. Om de verschillende mogelijke oevers\gradiëntzones verkennend in beeld te krijgen volstaan ca 60 boringen. Advies bevoegd gezag De selectie van de locaties van mogelijk vennen is niet voldoende onderbouwd om te kunnen afwijken van de gemeentelijke onderzoeksrichtlijnen voor verkennend booronderzoek. In het uit te voeren verkennend booronderzoek dienen dus 8 boringen per hectare te worden gezet en twee profielputjes per hectare te worden gegraven. Dit op basis van een met ons van tevoren af te stemmen Plan van Aanpak.
创建时间:
2024-05-01



