Bureauonderzoek en Verkennend Booronderzoek Archeologie Plangebied Ooijsebrug perceel nr. H326 te Groessen Gemeente Duiven
收藏DANS Data Station Archaeology2017-06-09 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-2AU-7G94
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Ooijsebrug, kadastraal perceel nr. H326 te Groessen. Aanleiding voor het onderzoek is de herontwikkeling van een deel van het kadastrale perceel waar een bedrijfswoning en een vijver aangelegd zullen worden. Hiervoor is een bestemmingsplan in ontwikkeling. Het plangebied heeft een pppervlakte van ca. 7.000 m². De verstoringsdiepte van de nieuwe ontwikkeling is nog niet bekend, maar zal meer bedragen dan de vrijstellingsgrens van 50 cm-mv. De planontwikkeling bevindt zich in het stadium van de bestemmingsplanvoorbereiding.</p><p>Op de plankaart van het bestemmingsplan buitengebied uit 2013 heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting 3. Op de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Duiven heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting en ligt het tevens in een gebiedje met ‘gekeerde grond’. Vanwege de ligging in twee gebieden geldt de hoogste waarde. Gemeentelijk beleid is derhalve dat onderzoek noodzakelijk is bij ingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 50 cm-mv.</p><p>De geplande ontwikkeling overschrijdt de vrijstellingsgrens voor onderzoek en daarom is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het KNA conforme bureauonderzoek en het veldonderzoek (verkennende fase) zijn uitgevoerd door Hamaland Advies.</p><p>Conclusie Het bureauonderzoek toont aan dat het plangebied een hoge trefkans heeft op archeologische resten uit de periode vanaf de ontwikkeling van de rivieroeverwal (IJzertijd tot en met de Middeleeuwen). De periodes daarvoor (Laat-Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum) hebben een lage trefkans als gevolg van de mogelijke verspoeling van rivierafzettingen voor de bedijking.</p><p>De bewerking van de agrarische grond heeft waarschijnlijk voor een beperkte (max. 50 cm-mv) bodemverstoring gezorgd. Onbekend is echter tot hoe diep de bodem daadwerkelijk is verstoord. Uit het uitgevoerde verkennend booronderzoek blijkt dat in het gehele plangebied sprake is van een éénduidig bodemprofiel. De door landbouw bewerkte zandige bovenlaag is gemiddeld 70 cm dik. De onderste 30 cm van het matig grove zandpakket is onbewerkt en gaat op een diepte van gemiddeld 100 cm-mv scherp over in de jonge rivierkleiafzettingen (komklei) van de Formatie van Echteld. Deze gaan op hun beurt op een diepte variërend van 180 cm-mv in boring 5 tot 230 cmmv in boring 2 geleidelijk over in het matig grove pleistocene rivierzand van de Formatie van Kreftenheye. De in het plangebied aangetroffen bodem is te typeren als een ooivaaggrond op een voormalige rivieroeverwal.</p><p>Selectieadvies Op grond van het feit dat in het plangebied sprake is van natuurlijke sedimenten die in oorsprong te nat waren voor menselijke bewoning, alsmede het ontbreken van relevante cultuurlagen of archeologische indicatoren, adviseren wij om geen vervolgonderzoek in het plangebied uit te voeren. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat kleinschalige fenomenen zoals middeleeuwse veldovens, urnengrafvelden en vuursteenvindplaatsen e.d. lastig op te sporen zijn met behulp van booronderzoek.</p><p>Selectiebesluit De resultaten van dit onderzoek zijn op 15 mei 2017 beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Duiven) en diens archeologisch adviseur, drs. L. Smole namens drs. J. Habraken (regioarcheoloog) van de ODRA. Behoudens enkele opmerkingen die in deze definitieve rapportage zijn verwerkt is het bevoegd gezag akkoord met de resultaten en het selectieadvies. Het advies van Hamaland Advies wordt onderschreven. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. De reden is dat er geen archeologische indicatoren of lagen zijn aangetroffen die een vindplaats doen vermoeden. </p><p>Voorbehoud Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Verder dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet) kenbaar te worden gemaakt, om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister”. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort en de verantwoordelijke ambtenaar van de gemeente Duiven, mw. L. van ZebenStevens.</p>
提供机构:
Hamaland Advies
创建时间:
2017-06-10



