Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek d.m.v verkennende boringen MS Stedin Geervliet, gemeente Nissewaard
收藏DataCite Commons2025-10-27 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/JUUE8H
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
In november 2023 en januari 2025 is in opdracht van Tennet door Antea Group een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd voor Noorddijk te Geervliet (gemeente Nissewaard). Aanleiding voor het onderzoek is de bouw van een geplande transformator van Stedin en de bouw van een nieuwe GIS-schakelinstallatie van TenneT. Hiervoor is het nodig om het bestaande stationsterrein aan alle zijden uit te breiden. Bij de aanlegwerkzaamheden kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient als onderbouwing voor de ruimtelijke procedure. Een bureauonderzoek is de eerste stap binnen de Archeologische Monumentenzorg (AMZ, zie bijlage 2), een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) is stap 2b. Voor het plangebied geldt een onderzoeksplicht conform het beleid van de gemeente Nissewaard. In augustus 2023 is contact gezocht met de adviseur van de gemeente Nissewaard, Archeologie Rotterdam. Zij hebben een plantoets opgesteld voor het plangebied, waaruit de noodzaak voor een bureauonderzoek en veldonderzoek uit bleek. Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied West’ is voor de locatie een bouwregeling en een omgevingsvergunning opgenomen voor bouw- en graafwerkzaamheden, ongeacht de diepte en oppervlakte van de ingreep (Waarde - Archeologie 2). Opvolgend heeft Archeologie Rotterdam een Programma van Eisen opgesteld ten behoeven van het IVO-O.1 Resultaten bureauonderzoek Voor het gehele gebied geldt op de beleidskaart van de voormalig gemeente Bernisse een hoge archeologische verwachting. Een deel van het plangebied ligt daarnaast binnen een AMK-terrein. Het noordelijk deel van het plangebied ligt op een dijklichaam uit de tweede helft van de 20e eeuw en is sterk opgehoogd (2 tot 3 m). Daarnaast ligt er reeds een schakelstation met bijbehorende kabels en leidingen, waardoor naar verwachting het plangebied verstoord is. Op basis van het booronderzoek van BOOR/Archeologie Rotterdam uit 2007 blijkt dat binnen het plangebied de bodem grotendeels verstoord is. Tijdens het onderzoek is binnen het plangebied geen veen aangetroffen, waarschijnlijk is dit pakket hier geërodeerd. Op basis van de cultuurhistorische atlas van de provincie ZuidHolland ligt het plangebied op jonge zeeklei en zeeklei met een veen. De jonge zeeklei kent geen of een lage archeologische verwachting. In het geval van zeeklei met veen geldt er een hoge archeologische verwachting. De top van het veen ligt in dit gebied tussen 1,6 en 2 m -mv. Op de top van het veen geldt ook een archeologische verwachting. Op basis van de geologische en archeologische gegevens geldt er geen verwachting op eventuele archeologische resten tot minimaal 1,5 m -mv. Door Archeologie Rotterdam, als adviseurs van het bevoegd gezag, werd een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. verkennende boringen geadviseerd om de verwachting te toetsen. Resultaten IVO-O Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen: • Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? • Is er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig en/of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats? • Indien archeologische lagen aanwezig zijn; op welke diepte bevinden deze zich en wat is de maximale diepte? • Waaruit bestaat of bestaan deze archeologische laag of lagen? • In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? • Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? • In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? • Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan? De bodemopbouw bestaat globaal uit een geroerde laag, met variërende dikte. Hieronder zijn verschillende lagen klei aanwezig, soms met laagjes zand. Deze worden geïnterpreteerd als het Laagpakket van Walcheren/Afzettingen van Duinkerke. Ook is in twee boringen veen aangeboord. De verwachtte geulafzettingen, samenhangend met de getij-inversierug zijn ook aangeboord. In één boring is binnen de geplande ontgravingsdiepte een dunne laag veraard veen (circa 0,2 m dik) aangetroffen, dat mogelijk post-Romeins veen betreft. Op dit veen ligt scherp een laag komklei, waardoor mogelijke resten in de top van het veen verloren kunnen zijn gegaan. Het kan echter ook een verspoeld brok veen betreffen. In een andere boring is op een dieper niveau een kleilaag aangeboord met laagjes veen er in (boring 2: 2,4 m -mv / 2,0 m -NAP). Dit ligt binnen de geplande ontgravingsdiepte van het GIS-gebouw. Ook zijn de verwachte geulafzettingen aangeboord, deze zullen naar verwachting niet verstoord worden. (Selectie)advies Op basis van het inventariserend veldonderzoek zijn er geen aanwijzingen voor het verwachten van een vindplaats. De jonge zeeklei/de komafzettingen kennen een lage verwachting. Het geulensysteem kan in theorie sporen en resten bevatten vanaf de ijzertijd, echter liggen deze niet binnen de geplande ontgravingsdiepte. In één boring is veraard veen aangetroffen onder een laag komklei. Naar verwachting is de top hiervan verspoeld. Ook zijn er geen archeologische indicatoren aangetroffen. In boring 2 is een venige kleilaag aangeboord binnen de ontgravingsdiepte (op circa 2,4 m-mv). Hierin zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. In de boringen er naast (boringen 3 en 4) is geen veen aangeboord. Naar verwachting is dit door het geulensysteem verspoeld veen, of een restgeulopvulling. Daarnaast is in elke boring de bovengrond reeds verstoord óf sterk opgehoogd, waardoor sporen en resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd niet meer verwacht worden. Op basis hiervan adviseert Antea Group om het plangebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden. Dit is een advies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in dezen de gemeente Nissewaard. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.
Dit betreft een combinatierapport van een BO en een IVO-O.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2025-10-22



