Gemeente Zundert. Plangebied perceel Zundert U456. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). BAAC Rapport V-18.0266
收藏Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-z94-7xa8
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
In opdracht van Natuurmonumenten, eenheid West-Brabant, heeft het onderzoeks en adviesbureau BAAC bv een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek met behulp van boringen (verkennende fase) uitgevoerd in het plangebied Perceel U456 te Zundert. Het plangebied ligt op de overgang van een hoger gelegen rug in het noordwesten naar een noordoost-zuidwest georiënteerde laagte in het zuidoosten. Dergelijke gebieden, op een landschappelijke gradiënt, vormden van oudsher aantrekkelijke vestigingsgebieden. In en rondom het plangebied zijn ook daadwerkelijk vondsten uit de periode laat-paleolithicum-neolithicum aangetroffen. Gedurende het Holoceen is het landschap vanuit de lager gelegen delen afgedekt met veen. Het plangebied, deels gelegen in een moerassig gebied, werd nu niet of nauwelijks meer gebruikt. Vanuit deze lage delen kon het veen zich vanaf 3500 à 3700 BP over grote delen van het tegenwoordige zandgebied uitbreiden. Het plangebied werd tevens bedekt met veen.Vanaf de 16e eeuw wordt het plangebied ontgraven in het kader van turfwinning. Voor de afvoer van de gewonnen turf werd een vaart aangelegd die een oud dal volgde. Nadat al het veen was afgegraven, werd het plangebied een heidegebied. Vanaf de 19e eeuw werd het gebied ontgonnen en in gebruik genomen als bouwland, wei- en hooiland en boomkwekerij. In de loop van de eerste helft van de 20e eeuw werd het gebied meer en meer in cultuur gebracht. Grote delen van de aanwezige heidegebieden verdwenen in deze periode en maakten plaats voor regelmatige gevormde percelen met een agrarische functie. Vanaf de jaren vijftig is ook het laatste stuk heide binnen het plangebied in cultuur gebracht en is de turfvaartinfrastructuur verdwenen. Gezien de verploeging van de bodem in deze latere perioden zijn de natuurlijke bodem en daarmee eventuele archeologische waarden uit eerdere perioden mogelijk verstoord.Aan de hand hiervan wordt aan de periode laat-paleolithicum-neolithicum een middelhoge verwachting voor onverstoorde vuursteenvindplaatsen toegekend. Gezien de ligging van het plangebied in een veengebied is de verwachting voor archeologische resten uit de bronstijd tot en met de late middeleeuwen laag. Er kunnen nog wel resten van de turfwinning (vanaf de 16e eeuw) en ontginningsresten aanwezig zijn. Echter is er een lage verwachting voor andere complextypes uit deze periode.De archeologische waarden (bewerkt vuursteen en eventuele sporen van turfwinning) worden verwacht in de top van de natuurlijke bodem (vermoedelijk E-, B- of C-horizont), die vermoedelijk ligt op een diepte vanaf 40 à 50 cm –mv. In het bovenliggende cultuurdek kan een strooiing van materiaal uit het laat-paleolithicum-neolithicum (vuursteenartefacten) en nieuwe tijd (aardewerkfragmenten e.d.) worden verwacht.Uit het booronderzoek is gebleken dat de geologische en bodemkundige situatie ter plaatse van het plangebied de verwachting uit het bureauonderzoek deels onderbouwt. Het oostelijke deel van het plangebied bestaat conform de verwachting uit een beekdal. Dergelijke gebieden vormden vanwege de natte omstandigheden geen aantrekkelijke locaties voor (tijdelijke) kampementen. Derhalve is de middelhoge verwachting op vuursteenvindplaatsen voor dit deel van het plangebied naar beneden toe bijgesteld naar een lage verwachting (bijlage 3). Het westelijke deel van het plangebied is conform de verwachting hoger gelegen en bestaat uit een (deels verspoelde) dekzandrug. Dergelijke hoog en droog gelegen gebieden nabij een beekdal vormden wel degelijk aantrekkelijke vestigingsgebieden. In slechts zeven boringen is een Bs en/of een BC-horizont aangetroffen. Hier is de bodem derhalve niet tot in de C-horizont verstoord. Hier is de middelhoge verwachting voor onverstoorde vuursteenvindplaatsen uit de periode laat-paleolithicum-neolithicum derhalve gehandhaafd (bijlage 3). De bodem is ter plaatse van 37 boringen verstoord als gevolg van ontginningsactiviteiten in het verleden. Hier bevindt de C-horizont zich direct onder de humeuze bouwvoor. Derhalve is hier geen kans meer op in situ voorkomende vuursteen vindplaatsen. Dergelijke vindplaatsen bestaan voornamelijk uit de verspreiding van vuursteen aan het voormalige maaiveld (Ah- en/of B-horizonten). Daarom houden de gebieden waar nog wel resten van deze bodems zijn aangetroffen wel de middelhoge verwachting. De lage verwachting voor archeologische resten uit de bronstijd tot en met de nieuwe tijd is voor het gehele plangebied gehandhaafd.Voor de gebieden met een middelhoge verwachting geldt dat de archeologisch relevante bodemlaag bij (diepe) bodemstorende activiteiten geroerd zal worden, waarbij eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen verstoord kunnen worden. Indien binnen deze zones in het plangebied substantiële bodemverstorende activiteiten worden uitgevoerd tot een diepte van meer dan 25 cm -mv (de minimale diepte van de aanwezige B-horizont), dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd in de vorm van een karterend booronderzoek.
创建时间:
2024-01-31



