five

14075778 APE.DRE.ARC Eindrapportage archeologisch onderzoek Kanaweg 21a te Wenum-Wiesel

收藏
DANS Data Station Archaeology2014-10-12 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-22W-SFNS
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
<p>Gespecificeerde archeologische verwachting<br>Op basis van het bureauonderzoek zou het plangebied een landschappelijke ligging moeten hebben op een flauwe helling van daluitspoelingswaaierafzettingen die afgedekt zijn met dekzandafzettingen. Deze terreinen waren in principe niet ongeschikt voor (tijdelijke) bewoning door Jagers-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) en Landbouwers (vanaf het Midden-/Laat-Neolithicum), maar de meeste voorkeur zal zijn uitgegaan naar daar waar duidelijk hoger gelegen dekzandruggen voorkomen en het ten westen gelegen overgangsgebieden naar de Oost-Veluwse stuwwal. Het plangebied heeft een middelhoge verwachting gekregen. Archeologische resten, indien aanwezig, werden in en/of direct onder de bouwvoor (eerste 30 cm) verwacht; in de top van de dekzandafzettingen, waarin zich in het verleden een veldpodzolprofiel heeft gevormd.</p><p>Resultaten inventariserend veldonderzoek<br>Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) blijkt dat de bodemopbouw binnen het plangebied geroerd/verstoord is tot gemiddeld 50 cm -mv. De hieronder ongestoorde bodem betreft bij de meeste boringen direct de C-horizont. Bij enkele boringen lijkt onder het verstoringsniveau nog de overgangs-BC-horizont (of een restant hiervan) aanwezig te zijn, tussen circa 50 en 70 cm -mv. Nergens in het plangebied is echter sprake van een intact bodemprofiel (dat kan fungeren als referentie) en waarschijnlijk ook niet vlak buiten het plangebied, aangezien het plangebied deel uitmaakt van een agrarisch perceel (met waarschijnlijk dezelfde gebruiksgeschiedenis). Het niveau waarop archeologische sporen zichtbaar zullen zijn, op de overgang van de BC- naar de C-horizont, is nog wel intact aanwezig.</p><p>Het opgeboorde sediment bestaat voornamelijk uit slecht gesorteerd, zwak tot matig grindig, zwak tot matig siltig, matig grof tot zeer grof zand en betreffen daluitspoelingswaaierafzettingen (sneeuwsmeltwaterafzettingen). Binnen het plangebied is (goed gesorteerd) dekzand, als afdekkende laag boven de daluitspoelingswaaierafzettingen, niet waargenomen, wat op basis van het bureauonderzoek wel werd verwacht.</p><p>Bij één boring is in de bouwvoor een fragment/brok baksteen aangetroffen. Dit is van (sub)recente ouderdom en is meest waarschijnlijk afkomstig van de halfverhardingslaag die direct ten westen van het plangebied onder de aanwezige klinkerverharding wordt verwacht. Archeologisch relevante indicatoren zijn in geen van de boringen, zowel in het verstoorde als het onverstoorde deel van de bodemopbouw, aangetroffen.</p><p>Conclusie<br>Er zijn geen duidelijke aanwijzingen om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats met een middelhoge tot hoge vondstdichtheid in het plangebied te vermoeden. De middelhoge verwachting dient te worden bijgesteld naar een lage verwachting in algemene zin. Voor de verwachting op de aanwezigheid van een sporenvlak van vondstarme sites en puntlocaties blijft de middelhoge verwachting wel gehandhaafd. </p><p>Selectieadvies<br>Op grond van het behoud van de middelhoge verwachting op de aanwezigheid van een sporenvlak van vondstarme sites en puntlocaties geldt in principe het advies voor het laten plaatsvinden van een vervolgonderzoek. Dit vervolgonderzoek dient dan te worden uitgevoerd in de vorm van een proef-sleuvenonderzoek (IVO-P).</p><p>Omdat voor de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied niet meer dan 2.500 m² dieper dan 35 cm gegraven zal worden, en dus binnen/onder de vrijstellingsgrens blijft voor gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde, is door het bevoegd gezag besloten dat een nader archeologisch onderzoek niet nodig is.</p><p>Wel dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentenwet 1988) kenbaar te worden gemaakt om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. Het verdient aanbeveling ook de Sectie Archeologie van de Gemeente Apeldoorn (SAGA, archeologie@apeldoorn.nl, tel. 055-5802861) hiervan per direct in kennis te stellen.</p>
提供机构:
Econsultancy
创建时间:
2014-09-18
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务