Proefsleuvenonderzoek Ede Wethoudersbuurt Proefsleuvenonderzoek aan de Wethoudersbuurt te Ede in de gemeente Gemeente Ede
收藏DataCite Commons2026-01-06 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/OIQJCM
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>Econsultancy heeft in opdracht van Woonstede een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd voor het plangebied aan de Wethoudersbuurt in Ede, gemeente Ede. Het plangebied wordt volledig heringericht. Hierbij wordt de huidige bebouwing gesloopt en worden nieuwe woningen gerealiseerd. De bestaande infrastructuur zal worden vernieuwd en er zullen nieuwe kabels en leidingen worden aangelegd. De omvang van de geplande bodemverstoring is groter en dieper dan de in het gemeentelijk beleid vastgestelde ondergrens, waardoor archeologisch onderzoek noodzakelijk was.</p><p>Voor aanvang van het proefsleuvenonderzoek is voor het plangebied is een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd door Econsultancy. Op basis van de resultaten van dit onderzoek was er een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten vanaf het (laat-)paleolithicum tot en met de late Middeleeuwen. Vervolgonderzoek werd geadviseerd indien bodemingrepen >20 cm onder maaiveld zouden worden uitgevoerd. De gemeente Ede heeft op basis van de resultaten en het advies gesteld dat er een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek diende te worden uitgevoerd. Het doel van het proefsleuvenonderzoek (IVO-P) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting. Daarnaast diende van eventuele vindplaatsen de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit te worden vastgesteld. Eventuele ondergrondse sloop zou ook archeologisch moeten worden begeleid omdat er mogelijk nog archeologische waarden onder de bebouwing aanwezig was.</p><p>Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd van 9 tot 17 april 2024 door een veldteam van Econsultancy. Tijdens het onderzoek zijn 24 proefsleuven aangelegd met een totaal oppervlakte van 1.660 m2 onderzocht, circa 4% van het onderzoeksgebied. Dit oppervlak was minder dan de eis in het voor dit onderzoek opgestelde Programma van Eisen. Werkputten 25 t/m 32 zijn in overleg met de bevoegde overheid komen te vervallen omdat de aanleg hiervan niet mogelijk was omdat leidingen ter plaatse nog niet waren afgesloten, er in de planning van de opdrachtgever geen ruimte was om op een later moment de laatste sleuven aan te leggen, en omdat de aangelegde sleuven voldoende inzicht in de archeologische waarden in het plangebied gaven. In de werkputten is één vlak aangelegd in de top van de C-horizont, op een diepte tussen 17,65 en 18,66 m NAP. Het sporenvlak was in het gehele plangebied, op wat plaatselijke recente verstoringen na, intact en goed leesbaar.</p><p>Resultaten Het plangebied ligt binnen een gebied met dekzand en daluitspoelingswaaierafzettingen (Formatie van Boxtel) bovenop gestuwde afzettingen. Wanneer het paleoreliëf gereconstrueerd wordt op basis van de diepte van de C-horizont wordt duidelijk dat er wat hoogteverschillen binnen het plangebied aanwezig waren, waarschijnlijk door de aanwezigheid van een hoogte binnen het gordeldekzand. Het maximale hoogteverschil is circa 1 m. Tijdens het holoceen is in het dekzand een haarpodzolbodem ontwikkeld. Bij het onderzoek in een groot deel van de profielen, met name aan de westkant van het plangebied, de natuurlijk gevormde haarpodzolbodem nog (deels) waargenomen. In enkele gevallen betrof het een profiel met een intacte E-horizont, maar vaak was er alleen sprake van verstoorde B-horizont of de onderkant van een BC-horizont. In het oostelijk deel van het plangebied werd er op de natuurlijke afzettingen (het restant van) een mogelijke oude cultuurlaag uit de IJzertijd/Romeinse tijd waargenomen. Daarboven lag verspreid door het hele onderzoeksgebied een Middeleeuwse oude akkerlaag van 10-20 cm dikte.</p><p>De bovenste bodemlagen werden in het plangebied gevormd door een dik plaggendek. In het plaggendek waren zeker 4 lagen te onderscheiden. De onderste twee lagen hebben een bruinere tint, dat wijst op het gebruik van bosstrooisel in het plaggendek. De bovenste twee lagen zijn grijs en bestaan vooral uit heideplaggen. De dikte van het plaggendek is over het algemeen tussen de 70 – 100 cm met enkele plaggendekken rond de 50 - 70 cm dik en een paar uitschieters tot 120 cm dik (figuur 5.5). In het zuiden en zuidwesten van het onderzoeksgebied is het plaggendek circa <80 cm dik.</p><p>Bij het proefsleuvenonderzoek zijn sporen en vondsten aangetroffen die tot twee (of mogelijk meer) vindplaatsen behoren: Vindplaats 1: De oudste vindplaats betreft een nederzetting uit de IJzertijd/Romeinse tijd (800 v.Chr.- 450 n. Chr.). De sporen, met name (paal)kuilen concentreren zich aan de zuidkant van het onderzoeksgebied, ter hoogte van werkputten 18, 19 en 22. Hoewel er geen structuren zijn herkend lijkt het hier wel om huisplattegronden te gaan. Daarnaast zijn enkele losse sporen in het centraal-oostelijk deel van het plangebied gedateerd tussen 100 v. Chr. en 450 n. Chr. Mogelijk gaat het om de periferie van de zuidelijker gelegen nederzetting, of is er zelfs sprake van een tweede IJzertijd/Romeinse vindplaats. Vondstmateriaal betreft met name handgevormd aardewerk. Het materiaal was gefragmenteerd en daardoor niet te koppelen aan specifieke pottypes. Vier wandfragmenten dateren mogelijk in de midden- tot late Bronstijd.</p><p>Vindplaats 2: In dertien werkputten werden sporen aangetroffen die behoren bij een middeleeuwse nederzetting daterend in de 8e tot 15e eeuw. Sporen betreffen vele (paal) kuilen, enkele greppels en een mogelijke waterput. Op basis van het proefsleuvenonderzoek kon nog geen fasering worden aangebracht, maar op basis van het vondstmateriaal wordt vermoed dat er in ieder geval twee fasen van bebouwing binnen het onderzoeksgebied aanwezig zijn: 8e tot 10e eeuw en 11e tot 13e eeuw. In vier werkputten zijn mogelijke boerderijplattegronden herkend. Het lijkt te gaan om bootvormige plattegronden van het type Gasselte. Het vondstmateriaal bestaat uit grotendeels uit lokaal vervaardigde handgevormde Kogelpotten. Daarnaast waren en enkele fragmenten Paffrath en blauwgrijsaardewerk aanwezig. Gedraaid aardewerk was aanwezig in de vorm van een kleine hoeveelheid Badorf-, Pingsdorf- en Mayen- aardewerk.</p><p>Selectieadvies Uit de waardering op KNA-conforme wijze is gebleken dat zowel vindplaats 1 als vindplaats 2 behoudenswaardig zijn. Advies is om daar waar mogelijk, de archeologische resten in situ te behouden. Indien dit niet mogelijk is wordt geadviseerd de archeologische ex situ veilig te stellen door middel van een opgraving.</p><p>Omdat er een mate van onzekerheid in de begrenzing van de vindplaats zit door het vervallen van werkputten langs de van Voorthuizenlaan, geldt dit advies vooralsnog voor het hele plangebied. Uitzondering hierop vormen de daadwerkelijk gedocumenteerde werkputten zonder archeologische waarden. Geadviseerd wordt om bij een opgraving vanuit de aangetoonde sporen te werken, en pas zones uit te sluiten voor vervolgonderzoek op het moment dat er 20 m geen archeologische sporen worden aangetroffen.</p><p>Omdat binnen het plangebied sprake is van een dik plaggendek, zullen bodemingrepen met beperkte diepte de archeologische waarden niet bedreigen. Op basis van de diktes van het plaggendek is het plangebied in twee zones verdeeld. Voor de blauwe zone wordt geadviseerd bodemingrepen tot 30 cm-mv vrij te geven voor graafwerkzaamheden; voor de oranje zone tot 50 cm -mv.</p><p>In overleg met de adviseur van de bevoegde overheid, gemeente Ede, is de ondergrondse sloop van de huidige bebouwing vrijgesteld van archeologische begeleiding.3 Uitgangspunt is wel dat dit zorgvuldig wordt uitgevoerd en niet meer verstoord wordt dan strikt noodzakelijk.</p><p>Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Ede), die vervolgens het advies over neemt of niet.</p><p>Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Ede wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Ede op de hoogte te stellen.</p>
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2026-01-06



