Bureauonderzoek, Bouwdossieronderzoek en Booronderzoek Archeologie Plangebied Wehlseweg 19-21 te Loil, gemeente Montferland
收藏Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-z5q-5fd8
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Hamaland Advies heeft in opdracht van Boudewijn Zevenaar B.V., een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor de Wehlseweg 19-21 te Loil, gemeente Montferland (zie Afbeelding 1). Het gaat om een ontwikkeling waarbij een voormalig bedrijfspand volledig wordt gesloopt en nieuwbouw van appartementen zal plaatsvinden. Het bestaande woonhuis en de schuur zullen blijven staan. Het plangebied bestaat uit een bouwvlak met een totale oppervlakte van 1.200 m. De nieuwe ontwikkeling zorgt voor een bij het opstellen van deze rapportage nog onbekende nieuwe bodemverstoring. Voor deze ontwikkeling is een bestemmingsplanwijziging nodig. Volgens het vigerende bestemmingsplan is sprake van een dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting 1. Dit houdt in dat bij het oprichten van een bouwwerk groter dan 30 m² een rapport overlegd moet worden waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.Op basis van de overschrijding van de vrijstellingsgrens is door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. een KNA conform bureauonderzoek uitgevoerd, waarbij het advies werd gegeven om gecombineerde verkennende en karterende boringen uit te voeren. Omdat de huidige bebouwing pas in de 20e eeuw gerealiseerd is, heeft Hamaland Advies een bouwdossieronderzoek uitgevoerd om de aard en de diepte van de bodemverstoring in het plangebied vast te stellen.ConclusieUit het bouwdossieronderzoek blijkt dat het merendeel van de bebouwing gefundeerd is middels strookfunderingen en/of fundering op poeren. Hierdoor is de bodem onder de huidige bebouwing mogelijk maar beperkt verstoord geraakt. De diepte van de strookfundering varieert tussen 0,40 m-mv en 1,50 m-mv, maar ligt voor grote delen van het plangebied tussen de 60 en 90 cm diepte. Verwacht wordt dat hier de top van de C-horizont (dekzand) nog intact zal zijn. Voor de het woonhuis, uitgezonderd de berging, geldt een uitzondering. Hier is door de aanleg van een kelder en kruipruimte de bodem tot een diepte van respectievelijk 1,70 m-mv en ca. 1,20 m-mv volledig weggegraven.Aan de hand van het booronderzoek is vastgesteld dat in een deel van het plangebied sprake is van een intacte bodem. Drie van de zes boringen vertonen een duidelijk A>B>C-profiel dat geïnterpreteerd kan worden als een veldpodzol. Dit komt niet overeen met de uit het bureauonderzoek verwachtte beekeerdgronden. Daarnaast bestaat de C-horizont uit matig fijn zand dat geïnterpreteerd kan worden als fluvioperiglaciale afzettingen van de Formatie van Boxtel. In de A1-horizont van deze drie boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen. Daarnaast is in de Ap2 van boring 5 eveneens een archeologische indicator aangetroffen. In de overige boringen is de bodem tot in de C-horizont verstoord (boring 3) of gestuit op een betonplaat of bakstenen fundering (boring 4 en 5).SelectieadviesAan de hand van het uitgevoerde booronderzoek kan worden herleid dat in een deel van het plangebied een intacte bodem aanwezig is met een A1- en B-horizont. Hamaland Advies adviseert dan ook om in de delen van het plangebied waar een intacte bodem is aangetroffen voorafgaand of tijdens de nieuwbouw een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren om de in het plangebied aanwezig archeologische vindplaatsen te waarderen. Hierbij dient minimaal een oppervlak van 200 m2 onderzocht te worden middels twee proefsleuven van 4x25m. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden na de sloop van de huidige bebouwing en voor verdere bodemverstorende activiteiten plaatsvinden. Een andere mogelijkheid is om de funderingsstroken van de nieuwbouw onder Archeologische Begeleiding uit te graven. De in boring 5 aangetroffen bakstenenfundering is mogelijk van de boerderij die op het naastgelegen perceel heeft gestaan en kan eveneens middels vervolgonderzoek gewaardeerd worden. SelectiebesluitNamens gemeente Montferland heeft mw. ing. A. Zonneveld het bureauonderzoek, bouwdossieronderzoek en archeologisch booronderzoek op 29 maart beoordeeld. De resultaten zijn getoetst en worden door het bevoegd gezag onderschreven. De gemeente Montferland geeft de voorkeur aan een Archeologische Begeleiding, omdat een proefsleuvenonderzoek met de bestaande bebouwing niet werkbaar en inefficiënt wordt geacht. Daarnaast is de halfverharding die op het perceel aanwezig is verontreinigd, waardoor een proefsleuvenonderzoek als minder gewenst wordt gezien. Het bevoegd gezag geeft nadrukkelijk aan dat de Archeologische Begeleiding van de ontgraving van de funderingsstroken na sloop van de bebouwing dient te gebeuren. Hieraan wordt toegevoegd dat de sloop van de huidige bebouwing voorzichtig dient te gebeuren en dat niet dieper gegraven mag worden dan strikt noodzakelijk om zodoende het eventueel aanwezige bodemarchief te sparen. Alle delen van het terrein waar bodemingrepen dieper dan 30 cm zijn gepland dienen archeologisch begeleid te worden.Het advies betreffende de zone rondom boring 5 wordt door het bevoegd gezag overgenomen aangezien hier vermoedelijk ook graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden die dieper reiken dan 30 cm. Er dient rond boring 5 een waarderend vervolgonderzoek te worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuf. Vanuit de gemeente Montferland zijn er geen bezwaren om dit vervolgonderzoek mee te nemen in het Programma van Eisen (PvE) voor de Archeologische Begeleiding. De precieze omvang en situering van de proefsleuf dient op basis van het definitieve bouwplan met de gemeente Montferland te worden afgestemd.VoorbehoudHet uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Verder dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (Erfgoedwet 1-7-2016, art. 5.10 en 5.11) kenbaar te worden gemaakt, om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: ‘Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister’. Deze aangifte dient te gebeuren bij de RCE te Amersfoort. Het verdient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Montferland (mw. ing. A. Zonneveld) hiervan per direct in kennis te stellen.
创建时间:
2024-01-31



