Rapportage Verkennend Booronderzoek Archeologie Plangebied Van Beethovenstraat 4 te Nijmegen, gemeente Nijmegen
收藏Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-z38-xugq
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
ConclusieOp grond van de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat de oorspronkelijke bodemopbouw ter plaatse van het plangebied nog grotendeels intact is. Onder de betonvloer is sprake van een pakket zwak siltig fijn zand dat als ophoogzand is opgebracht voor de betonvloer en de fundering. Hieronder is sprake van een tweede antropogene ophooglaag en/of de oorspronkelijke bouwvoor die in boring 2, 5, 6, 8, 9 t/m 12 scherp overgaat in een oude eerdlaag (A1) die begint tussen 70 cm-mv (boring 6 en 10) en 115 cm-mv (boring 11). Het onverstoorde matig fijne tot grove zand van de spoelzandwaaier wordt aangetroffen op dieptes variërend tussen 85 cm-mv (boring 10) en 155 cmmv (boring 7). Op basis van de in de boringen aangetroffen archeologische indicatoren is vanaf 70 cmmv sprake van een potentieel archeologisch niveau, echter door de zeer gefragmenteerde aard van de indicatoren is niet goed vast te stellen of het gaat om een oude akkerlaag met opspit van oudere vondsten uit de top van de C-horizont of een akkerlaag uit de nieuwe tijd met oudere vondsten die als bemestingskeramiek zijn opgebracht. Gezien de nabijheid van meerdere vindplaatsen uit de ijzertijd en Romeinse tijd in de directe omgeving van het plangebied is de eerste optie het meest waarschijnlijk. SelectieadviesUit de onderzoeksresultaten blijkt dat de archeologisch relevante lagen vanaf 70 cm-mv voorkomen. De in de eerdlaag aangetroffen archeologische indicatoren duiden erop dat in het plangebied een archeologisch niveau aanwezig is uit de late ijzertijd en/of de Romeinse tijd, vermoedelijk behorend bij een rurale nederzetting. De geplande ontwikkeling voorziet in een maximale bodemverstoring van 60 cm-mv ten behoeve van de funderingen. Rekening houdend met een bufferzone van 20 cm zijn er een drietal boringen (boring 2, 6 en 10) waar de bufferzone overschreden wordt. Omdat het hier relatief kleine overschrijdingen betreft en het archeologische (spoor)niveau zelf niet wordt geraakt, wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling, mits niet dieper gegraven wordt dan 60 cm-mv. Indien diepere bodemingrepen dan 60 cm-mv voorzien zijn, dan wordt geadviseerd om een archeologische begeleiding uit te laten voeren van alle graafwerkzaamheden, waar de grond dieper geroerd wordt dan 50 cm-mv (top van de eerdlaag plus een bufferzone van 20 cm). Een alternatief op de archeologische begeleiding kan zijn om het gehele plangebied 10 cm op te hogen, om zodoende de voor behoud in situ gewenste bufferzone in acht te kunnen nemen.BesluitDe gemeente Nijmegen heeft het rapport getoetst. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek zijn voldoende gegevens voorhanden om een besluit te nemen over het betreffende onderzochte plangebied. Binnen dit gedeelte van het plangebied worden nog steeds behoudenswaardige vindplaatsen verwacht vanaf een diepte van 50cm beneden het huidige maaiveldniveau. Indien in het kader van de geplande ontwikkeling dieper grondverzet dan 50cm beneden huidig maaiveld noodzakelijk is, zijn maatregelen ter behoud van archeologische waarden noodzakelijk.Een gedeelte van het plangebied is niet onderzocht. Desalniettemin kunnen op basis van de verkregen bodemdata ook (voldoende gemotiveerde) uitgesproken gedaan worden voor het niet onderzochte gedeelte van het plangebied. De bodem binnen het onderzochte gebied is consistent. Aangenomen kan dan ook worden dat oostelijk van de boorlocaties gelijkaardige bodems aangetroffen worden. De top van de C-horizont wordt in dit gedeelte van het plangebied dan ook op een diepte van 85 cm beneden maaiveld verwacht en de top van de oude eerdlaag vanaf 70 cm beneden maaiveld. Ook in dit gebied zijn maatregelen ter behoud van archeologische waarden noodzakelijk indien in het kadervan de geplande ontwikkeling dieper grondverzet dan 50cm beneden het huidige maaiveldniveau noodzakelijk is. De aard en omvang van deze maatregelen is te allen tijde afhankelijk van het planvoornemen. Opties hierbij zijn onder andere proefsleuvenonderzoek, archeologische begeleiding van graafwerkzaamheden, een opgraving of planaanpassingen waardoor duurzaam behoud in situ gegarandeerd kan worden.Gezien het feit dat het plangebied bebouwd is, zullen de vervolgmaatregelen waarschijnlijk het beste vorm gegeven worden middels een archeologische begeleiding van graafwerkzaamheden. Dit onderzoek betreft de begeleiding van alle bodemverstorende ingrepen (ondergrondse sloop, ontgraven bouwput, funderingen, kabels en leidingensleuven, etc) die dieper reiken dan 50cm beneden huidig maaiveld. Het onderzoek dient daarbij uitgevoerd te worden conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen.VoorbehoudBovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Met nadruk wijst Hamaland Advies erop dat dit selectieadvies nog niet betekent dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Nijmegen), die vervolgens een selectiebesluit neemt waarbij bepaald zal worden of er wel of geen vervolgonderzoek (archeologische begeleiding) plaats dient te vinden van de geplande nieuwbouw. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen.Het rapport en het selectieadvies zullen ter toetsing worden voorgelegd aan gemeente Nijmegen en de gemeentelijk archeoloog (mw. I. de Haas of mw. A. van de Water) alvorens met de geplande werkzaamheden begonnen kan worden. Verder dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (Erfgoedwet 1-7-2016, art. 5.10 en 5.11) kenbaar te worden gemaakt, om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister”. Deze aangifte dient te gebeuren bij de gemeentelijk archeoloog van Nijmegen (mw. I. de Haas of mw. A. van de Water).
创建时间:
2024-01-31



