five

Archeologisch Bureauonderzoek en Verkennend Booronderzoek Plangebied Zandwinning te Sellingen (ten Zuiden van de Beetserwijk), gemeente Westerwolde

收藏
Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-x22-sbgc
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
In opdracht van Ortageo (namens Kremer Zand B.V.) heeft Hamaland Advies een archeologisch bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het Plangebied Zandwinning te Sellingen (ten Zuiden van de Beetserwijk), gemeente Westerwolde. Het plangebied bevindt zich ten zuidoosten van de kruising Beetserwijk-Voorbeetseweg. Het onderzoek heeft bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek conform de BRL 4002. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 21 hectare.Voor het plangebied is nog geen archeologiebeleid beschikbaar. In het bestemmingsplan Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016 (22-03-2016) is geen dubbelbestemming opgenomen met betrekking tot archeologie. Tevens is er geen archeologische beleidskaart beschikbaar. Het doel van het bureauonderzoek is daarmee ook een specifieke archeologische verwachting op te stellen voor het plangebied.Conclusie bureauonderzoekHet plangebied is gelegen op een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden. Eerder onderzoek dat door MUG en RAAP direct ten noorden van het plangebied is uitgevoerd, heeft aangetoond dat er van verspoeling geen sprake is en dat het dekzand vanaf circa 40 cm-mv aanwezig is. Daarboven kan een podzol B- of B/C-horizont aanwezig zijn. Indien er in het huidige plangebied dekzandkoppen aanwezig zijn, kunnen bewoningssporen vanaf het Paleolithicum verwacht worden. In de wijdere omgeving komen celtic fields uit de Bronstijd-IJzertijd voor, maar daarvoor zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen aanwijzingen gevonden. De locatie van het plangebied was relatief laag gelegen en was erg drassig. Op historisch kaartmateriaal is te herleiden dat (veen)heide bestond, dat vanaf circa 1900 ontgonnen is. Voor de periode Bronstijd tijd-Late Middeleeuwen worden daarom geen bewoningssporen verwacht, omdat er sprake was van veen(groei). Wel kunnen eventueel (zand)paden door het gebied aanwezig zijn geweest en rituele deposities kunnen niet op voorhand uitgesloten worden. Voor de Nieuwe tijd vanaf circa 1900 geldt een verwachting voor ontginningssporen, oude verkavelingssloten en mogelijke resten van de bebouwing die rond 1900 kortstondig in het noordelijk deel van het plangebied heeft gestaan. Conclusie booronderzoekBinnen het plangebied zijn drie hoofdlijnen in de bodemopbouw te onderscheiden. Ten eerste is er sprake van 40 boringen met een compleet verstoord bodemprofiel. De top van de C-horizont is hier niet langer intact (Ap>C-profiel). Ten tweede is er sprake van 86 boringen met een intact bodemprofiel (Ap>E>B>C-profiel; 6 stuks of Ap>B>C-profiel; 80 stuks). In de laatste categorie vallen ook boringen met een intact bodemprofiel waarin sprake is van een laagje veraard restveen (Ap>C1>B>C2-profiel; 18 stuks).De verstoorde bodems komen verspreid door het noordoostelijke, zuidoostelijke en zuidwestelijke deel van het plangebied voor en zijn vermoedelijk het gevolg van (te) diep ploegen. De geroerde lagen gaan scherp over in het onderliggende dekzand. Het oorspronkelijk bodemprofiel kan aan de hand van het incidentiele voorkomen van een B/C-horizont worden geclassificeerd als veldpodzol. In een aantal geroerde lagen komen brokjes veraard veen voor. Intacte boringen zonder restveen komen verspreid door het gehele plangebied voor, met name in de noordelijke helft. Aan de hand van deze boringen is het duidelijk dat er van oorsprong in het plangebied sprake was van een veldpodzol. Boringen waarin boven de veldpodzol nog restveen is aangetroffen, concentreren zich voornamelijk langs de noordelijke en zuidelijke grens van het oostelijk deel van het plangebied. Een tweetal van deze boringen staan in het westelijk deel van het plangebied. Aan de hand van deze boringen kan geconcludeerd worden dat er op zijn minst in een deel van het plangebied veen aanwezig is geweest. Aangezien het laagje restveen ook is aangetroffen tijdens eerdere onderzoeken ten noorden van het plangebied, mag verondersteld worden dat het veenpakket oorspronkelijk over een veel groter oppervlak aanwezig was, totdat het gebied in de 19e eeuw ontgonnen werd. Omdat het veen veraard is, kan tevens gesteld worden dat dit een tijdje het maaiveldniveau geweest is.Wanneer de gegevens van alle boringen gecombineerd worden, blijkt dat er van oorsprong een veldpodzol in dekzand aanwezig was. Hierop is veengroei ontstaan. Dit veen is ontgonnen, waarna er in enkele boringen een pakket restveen is achtergebleven. Na of tijdens de ontginning van het veen zijn de geroerde lagen boven de natuurlijke ondergrond als gevolg van het opbrengen van grond van elders in combinatie met (te) diep ploegen, waarbij de top van de C-horizont deels opgenomen is in de subrecente bouwvoor. Op basis van het bureauonderzoek wordt verwacht dat de ontginningen in de 19e en/of 20ste eeuw hebben plaatsgevonden (jonge heideontginningen).Selectieadvies Hoewel de bodem grotendeels intact is, is de opbouw volledig natuurlijk en ontbreken sporen van bodemvorming door menselijk handelen. Tevens is bevestigd dat er veen in het plangebied aanwezig was. Dit veenpakket werd gedurende de Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen gevormd. Historisch kaartmateriaal geeft aan dat de ontginning ervan pas in de 19e en/of 20ste eeuw plaats heeft gevonden. Het veenpakket is hierdoor grotendeels uit het plangebied verdwenen. Derhalve worden op basis van het booronderzoek geen archeologische resten uit de periode Bronstijd – Nieuwe tijd (18e-19e eeuw) meer verwacht. In theorie kunnen er in de top van het dekzand nog resten uit het Paleolithicum tot en met de IJzertijd aanwezig zijn. Met name Steentijdvindplaatsen zijn niet of nauwelijks op te sporen met behulp van booronderzoek. In de directe omgeving van het plangebied zijn voor eerdere zandwinningsprojecten karterende booronderzoeken uitgevoerd, waarbij geen vondsten aangetroffen zijn. Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek acht Hamaland Advies vervolgonderzoek in het plangebied derhalve niet noodzakelijk. De kans dat met de geplande bodemingrepen archeologische waarden verloren gaan, wordt gering geacht.Selectiebesluit bureauonderzoekOp 26 maart 2021 heeft de provinciaal archeoloog van Groningen, mevr. G. Bergsma, de rapportage getoetst en het selectieadvies van Hamaland Advies om een vervolgonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uit te voeren, onderschreven. Wij wijzen erop dat het verkennend booronderzoek nog getoetst moet worden door de provincie Groningen. Een selectiebesluit over eventuele vervolgstappen moet nog worden genomen.Selectiebesluit booronderzoekOp 7 juli 2021 heeft de provinciaal archeoloog van Groningen, mevr. G. Bergsma, de rapportage van het verkennend booronderzoek getoetst. Mevrouw Bergsma is akkoord met de onderzoeksresultaten, maar onderschrijft het selectieadvies van Hamaland Advies niet. Vervolgonderzoek door middel van karterende en waarderende proefsleuven wordt noodzakelijk geacht. Hiervoor zijn meerdere redenen. De plannen voor toekomstige zandwinning strekken zich verder dan dit onderzochte plangebied. Ten noorden van het door jullie onderzochte plangebied is verkennend booronderzoek uitgevoerd door MUG. Het geheel overziend zie ik een gelijk beeld in de bodemopbouw. Een bodem die, op wat egalisatiesporen en lokale verstoringen na toch een vrij uniform onverstoord beeld geeft. De potentie op archeologische sporen is daarmee niet geheel uit te vlakken, ook al zijn er tot nu toe geen indicatoren in de verkennende booronderzoeken aangetroffen.Daarnaast zijn er in de nabije omgeving wel vondsten/sporen gedaan die potentieel zich ook in de top van het dekzand in het gehele plangebied bevinden (periode steentijd-ijzertijd). Voorafgaand aan gravend onderzoek dient een Programma van Eisen opgesteld te worden, dat getoetst zal worden door de provinciaal archeoloog.VoorbehoudHet uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Verder dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet) kenbaar te worden gemaakt, om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: ‘Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister’. Deze aangifte dient te gebeuren bij de provinciaal archeoloog van Groningen (e-mail: archeologie@provinciegroningen.nl).
创建时间:
2024-01-31
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务