five

Versterken 150 kV-net Zeeuws-Vlaanderen. Deelgebied Goes-Ellewoutsdijk Versterken 150 kV-net Zeeuws-Vlaanderen. Deelgebied Goes-Ellewoutsdijk. Gemeente Goes - Borsele. Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

收藏
Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-x7p-x8ea
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed heeft in maart 2017 een inventariserend veldonderzoek met verkennende boringen uitgevoerd ten behoeve van projectplan Versterken 150 KV-net Zeeuws-Vlaanderen. Het geplande nieuwe kabeltracé (noordelijk deel) loopt van het 150 kV-station Goes de Poel in zuidelijke richting naar het opstijgpunt Ellewoutsdijk. Het tracé volgt en/of kruist verschillende wegen. Het totale tracé heeft een lengte van circa 17 km. De lengte van de delen die middels open ontgraving worden aangelegd bedraagt ongeveer 11 km; dit is inclusief de in- en uittredepunten van de gestuurde boringen. De delen die aangelegd worden door middel van een gestuurde boring bedragen in totaal circa 6 km. Deze delen vallen buiten het archeologisch onderzoek. Op de boorlocatie GOEOOV0183, aan de Ongereedweg in Goes (De Poel) kon door het ontbreken van de betredingstoestemming geen veldonderzoek plaatsvinden. Uitsluitend in het uiterste zuiden van het plangebied (locatie 295) zijn afzettingen van het Laagpakket van Wierden, het pleistocene dekzand, waargenomen. Deze zijn hier intact aangetroffen. De top van dit niveau is hier gelegen tussen 4,31 en 4,55 m –NAP (3,00 – 3,40 m –mv). Gelet op de intactheid van de dekzandtop en de gematigde diepteligging, wordt voor dit niveau, voor de vroege prehistorie (Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) de verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen op middelhoog gesteld (Bijlage 8). Dit is in overeenstemming met de gemeentelijke Maatregelenkaarten voor dit niveau (Laag 4). Voor de overige delen van het plangebied blijven de verwachtingen die op de Maatregelenkaart zijn opgenomen (middelhoog en geen verwachting) bestaan, aangezien dit niveau hier niet in de boringen is waargenomen en zodoende niet is getoetst. Bij de bodemingrepen die binnen het plangebied bij open ontgraving voorzien zijn (tot 1,80 m –mv), is het uitgesloten dat het Laagpakket van Wierden bereikt wordt.Het oude getijdenlandschap is opgebouwd uit wadafzettingen die zijn afzet in een getijdenmilieu dat constante mariene invloeden kende. Op deze afzettingen kunnen vindplaatsen uit het Laat-Neolithicum voorkomen. In het merendeel van de boringen waar het Laagpakket van Wormer is waargenomen, duiden de aangetroffen kleiige wadafzettingen en de diepte waarop deze zijn gelegen, op een relatief laaggelen getijdegebied dat regelmatig onder water stond. In acht boringen zijn hoger gelegen zandige afzettingen aangetroffen, die duiden op de aanwezigheid van verlande geulen en de aanzetten (oevers) daarvan. Gelet op de beperkt hogere ligging (gem. 1 m hoger) van deze landschapsdelen, en het feit dat deze daarmee minder mariene invloed kenden, geldt voor de delen van het plangebied (boring 8134, 8135, 34507 en 34501, 34507, 34509, 51501 en 51502) een middelhoge archeologische verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen uit het Laat-Neolithicum. Dit niveau is op de locaties 81, 345 en 515 gelegen op een diepte vanaf respectievelijk ca. 1,75 m –NAP (0,95 m –mv), ca. 1,92 m –NAP (1,50 m –mv) en ca. 1,75 m –NAP (2,30 m –mv). Voor de lager gelegen kleiige wadafzettingen wordt de verwachting bijgesteld naar laag (Bijlage 9). Daar waar geen booronderzoek is uitgevoerd blijft de verwachting gelden zoals is opgenomen in de gemeentelijke Maatregelenkaarten voor dit niveau (Laag 3).Tijdens het booronderzoek is in 149 van de 170 boringen veen aangetroffen, behorend tot het Hollandveen Laagpakket. Op de top van het veen kunnen vindplaatsen uit de IJzertijd en Romeinse Tijd voorkomen, waarvoor een hoge verwachting geldt in het opgestelde verwachtingsmodel. Daar waar het veen intact is aangetroffen blijft deze verwachting ongewijzigd. Dit is in 52 boringen het geval. De intacte veentop is in 38 van deze 52 boringen tevens veraard. Dit betekent dat deze geruime tijd droog aan het oppervlak heeft gelegen, waarmee deze hoge verwachting op deze locaties extra benadrukt wordt. In 59 boringen is het veen gemoerd en resteert nog slechts een klein deel van het oorspronkelijke pakket. In 58 boringen is het veen deels dan wel geheel als gevolg van mariene erosie verdwenen en in 1 boring is het veen weggegraven in bij de aanleg van een sloot. Daar waar de veentop niet meer intact is als gevolg van deze drie factoren, komt de verwachting voor de IJzertijd en de Romeinse Tijd te vervallen.De kans op het aantreffen van vindplaatsen uit Bronstijd wordt laag geacht. Het in deze periode ontwikkelende veenlandschap (moeras) zal weinig mogelijkheden tot bewoning of andere activiteiten hebben geboden.In het bureauonderzoek opgestelde archeologisch verwachtingsmodel zijn verschillende verwachtingszones bepaald, waarin voor het Laagpakket van Walcheren drie landschappelijke eenheden zijn onderkend. Dit betreffen Duinkerke II inversieruggen (zone A), komgebieden (zone B) en Duinkerke IIIb getijdeafzettingen (zone C). De verwachtingen voor de Vroege, Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd zoals opgenomen in verwachtingsmodel, zijn gebaseerd op de aanwezigheid van deze verschillende landschappelijke eenheden, in combinatie met beschikbare historische gegeven. Daardoor gold voor de Vroege Middeleeuwen een middelhoge verwachting in zone A, een lage verwachting in zone B en geen verwachting in zone C. Voor de Late Middeleeuwen gold een hoge verwachting in zone A, een middelhoge verwachting in zone B en een lage verwachting in zone C. Voor de Nieuwe Tijd gold, mede gebaseerd op het historisch kaartmateriaal, in zone A een hoge verwachting en in zone B en C een lage verwachting. Voor zone C geldt echter dat het plangebied polderdijken uit de Nieuwe Tijd doorsnijdt, waarvoor dan een hoge verwachting geldt, specifiek voor dit complextype. Hierbij geldt echter dat op deze locaties binnen het plangebied geen open ontgravingen maar gestuurde boringen zijn voorzien. De binnen het plangebied getoetste verwachting voor dit niveau wordt hieronder van noord naar zuid besproken. Voor dit niveau geldt dat eventuele vindplaatsen direct beneden de bouwvoor gelegen kunnen zijn.In het noordelijk deel van het plangebied, Goes De Poel ten noorden van de A58 (locaties 177, 179, 702, 184, 185, 186, 188 en 212), is de in het booronderzoek waargenomen samenstelling van het Laagpakket van Walcheren, grotendeels overeenkomstig met de in het verwachtingsmodel uitgesproken situatie. Het betreft komafzettingen en plaatselijk beddingafzettingen, al niet afgedekt met komafzettingen. Dit betekent dat daar waar deze afzettingen intact aanwezig zijn, waar geen sprake is van moernering of andere verstoringen, de (middel)hoge verwachting voor de Vroege en Late Middeleeuwen blijft bestaan.Ten zuiden hiervan, noordoostelijk van Sinoutskerke (locatie 81) zijn eveneens komafzettingen waargenomen in de boringen, overeenkomstig het verwachtingsmodel (zone B). Hier zijn echter ook wat meer zandige kleiafzettingen, die eerder als kwelderafzettingen zijn te typeren, waargenomen, evenals een oeverafzetting. Het is daardoor mogelijk dat in de omgeving een lage kreekbedding of uitloper van een kreek aanwezig is, met een verhoogde kans op de aanwezigheid van vindplaatsen uit de Middeleeuwen. Bij deze boringen zijn tevens indicatoren aan het oppervlak of in de bouwvoor gevonden, evenals een cultuurlaag (boring 8102 en 8130). Dit in betekent dat voor deze gehele locatie een (middel)hoge verwachting blijft gelden voor de Late Middeleeuwen, ook voor de drie boringen waar moernering en plaatselijke verstoringen zijn vastgesteld.Ten zuiden hiervan, direct ten oosten en ten zuiden van Sinoutskerke (locaties 579, 83, 84, 349, 1019, 1056, 1057) is sprake van meer uitgesproken komafzettingen met direct langs de Sinoutskerkse Zandweg een zandige afzetting, die wellicht de aanzet van een smalle rug vormt. Naar het zuidwesten toe is steeds meer sprake van moernering, maar tevens zijn hier in twee boringen cultuurlagen waargenomen. Dit in overweging nemende blijft hier een (middelhoge) verwachting bestaan voor de Middeleeuwen, uitgezonderd het deel dat aaneengesloten is gemoerd (boring 105701, 105702, 105703 en 105704; 58601 en 58608; 18404; 18405, 18406).Langs de Gerbernesseweg (locatie 1100, 1217, 1211, 1209, 1207) is sprake van komafzettingen en een meer siltige kwelderafzettingen, in de nabijheid van de kreekbedding waarop de weg waarschijnlijk is gelegen. Beddingafzettingen zijn echter niet waargenomen in de boringen. Bovenin boring 11001 is een oude akkerlaag gevonden en in de bouwvoor een spoor baksteen. In boringen 120707 en 120705 is sprake van oud oppervlak of cultuurlaag. De (middel)hoge verwachting voor de Middeleeuwen kunnen gelet op slechts plaatselijke moernering (boring 121702) hier ongewijzigd blijven.Langs de Zuidweg en richting de Koedijk (locaties 345, 139 en 1489) tekent de kreekbedding waarop de Zuidweg is gelegen zich wel duidelijk af in de boorprofielen. Hier gaan de komafzettingen van noord naar zuid over in meer zandige afzettingen (ook als kwelderafzettingen te typeren) tot diepreikende beddingafzettingen. In boringen die het verder van deze bedding af is moernering geattesteerd. Richting de Koedijk verder zuidoostelijk komen weer komafzettingen voor. De (middel)hoge verwachting voor de Middeleeuwen blijft hier ongewijzigd op de plaatsen waar geen moernering is. Waar gemoerd is komt de verwachting te vervallen.Locatie 173 ligt aan de rand van de brede zone van Duinkerke IIIb getijdeafzettingen. Dit is duidelijk waarneembaar in de boorprofielen, waarin sprake is van beddingafzettingen die afdekt zijn met een komafzettingen. De verwachting voor de Middeleeuwen is hier laag.Locaties 1301, 154, 157, 158, 159, 160, 515 en 516 bevinden zich aan de rand van het komgebied en ten noorden gelegen brede zone met Duinkerke IIIb getijdeafzettingen. Uit de hier geplaatste boringen blijkt dat hier op locatie 1301 sprake is van komafzettingen met daaronder beddingafzettingen die soms diepreikend zijn. Op locaties 157, 158, 159, 160, 515 en 516 is sprake van duidelijke kwelderafzettingen die niet meer afgedekt zijn. Deze afzettingen wijzen op de sterke invloed vanuit de brede Duinkerke IIIb-getijdegeul die even noordelijk lag, van waaruit kwelders en uitlopers zijn ontstaan. De verwachting voor de Middeleeuwen wordt daarmee op deze locaties bijgesteld naar laag. In boring 16001 en 16004 is in de bouwvoor mogelijk de verharding van een oude weg gevonden. Dit betekent dat op locatie 160 een hoge verwachting geldt voor de Nieuwe Tijd.Op locatie 295 bestaan de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren uit beddingafzettingen en verlandingsafzettingen. Plaatselijk, in het westelijk deel zal dit niveau hier echter zijn afgegraven aan de top, gelet op de hier deels gelegen inlaag. In het oostelijk deel is sprake van ophogingen t.b.v. de hier gelegen weg en dijk en het huidige hoogspanningsstation. Zodoende wordt de verwachting voor dit niveau hier naar laag bijgesteld.
创建时间:
2024-01-31
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务