Benschop, Benedenweg Zuidzijde 269 (gemeente Lopik). Een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek (incl. een klein karterend onderzoek). ArGeoBoor rapport 1328
收藏DANS Data Station Archaeology2015-06-15 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-ZKN-QYNQ
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>Samenvatting <br>In opdracht van dhr. D. Verwoerd heeft ArGeoBoor een archeologisch bureau- en een verkennend booronderzoek uitgevoerd op een drietal naast elkaar percelen ten zuiden van de Benedenweg Zuidzijde nr. 269 te Benschop (Gemeente Lopik). De aanleiding van het onderzoek vormt een gewenste bestemmingsplanwijziging van grasland naar boomgaard. Het plangebied heeft een oppervlakte van 4,5 hectare. Daarnaast is het de wens om twee sloten te dempen. Dit brengt met zich mee dat elders op het perceel nieuwe waterberging moet worden gerealiseerd in de vorm van het graven van een poel of het verbreden van sloten aan de randen van het plangebied. Het gebied ligt op een stroomgordel met een hoge archeologische verwachting naast een AMK-terrein met zeer hoge archeologische waarde. Het planten van fruitbomen, de toekomstige wortelwerking en het graven van een compensatieplas en/of sloten kunnen de bodem verstoren op plaatsen waar dit nog mogelijk nog niet eerder gebeurt is. Eventueel aanwezige archeologische resten kunnen hierdoor verstoord worden. Op basis van de landschapsgeschiedenis kunnen archeologische resten op de stroomgordel aanwezig zijn van het begin van de vorming daarvan 4.450 jaar voor heden, oftewel vanaf het laat neolithicum. Op basis van de ontginningsvorm wordt ervanuit gegaan dat de stroomrug in de loop van de tijd in zijn geheel is ingesloten en afgedekt met komklei en veen. Tot wanneer de stroomrug begaanbaar is geweest is onbekend, maar er zijn vondsten op de stroomrug bekend uit de ijzertijd en Romeinse tijd, vondsten uit de vroege middeleeuwen ontbreken vooralsnog, mogelijk dat de stroomrug toen niet meer begaanbaar was.1 De vindplaatsen uit de late middeleeuwen zijn van na de ontginning. Archeologische resten uit het laat neolithicum zullen in een actief rivierlandschap zijn achtergebleven en kunnen bedekt zijn met oever- of komafzettingen. Resten uit de perioden daarna, de bronstijd t/m de Romeinse tijd zullen waarschijnlijk bedekt zijn door komklei. De resten worden verwacht op de hogere delen van het landschap op de oevers of crevasse afzettingen van de stroomgordel. Resten uit de late middeleeuwen worden in het noordelijke deel van het plangebied nabij de ontginningsas verwacht en zullen direct onder de bouwvoor liggen. Op basis van het verkennend booronderzoek is een landschapskaart gemaakt met een archeologische verwachting. In de zones waar de relatief hoog gelegen bedding- en oeverafzettingen voorkomen en waar een laklaag ontbreekt worden resten van verblijfplaatsen (jachtkampen of nederzettingsterreinen) verwacht. Het gaat dan om een betrekkelijke smalle zone langs de noord- west- en zuidzijde van het plangebied (hoge archeologische verwachting). Het uitgevoerde karterend booronderzoek in de noordoostpunt van het plangebied heeft de hoge verwachting bevestigd. In zes karterende boringen is hier een archeologische laag aangeboord. In de vullingen van aangetroffen restgeulen kunnen archeologische resten in de vorm van puntlocaties aanwezig zijn zoals: resten van vaartuigen, visnetten, offervondsten etc. In de laaggelegen zone waar de laklaag voorkomt kunnen off-site sporen voorkomen. De dichtheid van archeologische sporen wordt in de restgeul en in de laaggelegen zone met de laklaag laag verwacht. </p><p>Er zijn archeologisch gezien geen belemmeringen voor het aanplanten van een boomgaard. Echter voor overige grondbewerkingen in de zone met een hoge archeologische verwachting wordt aangeraden om deze niet dieper uit te voeren dan 40 cm –mv en plaatselijk niet dieper uit te voeren dan 25 cm-mv. In de gebieden met een lage archeologische verwachting wordt een archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht. Het wordt geadviseerd om de verplichte compensatie waterberging aan te leggen in de noord- en oostzijde van het plangebied. In de noordzijde zijn delen van de bodem reeds verstoord door de bouw- en sloop van de voormalige toren en oude watergangen. Verder is de archeologische verwachting in de oostzijde laag, waardoor de verwachting is dat de archeologie nauwelijks schade zal ondervinden. Onderhavig advies dient te worden voorgelegd aan de bevoegde overheid in dit geval de gemeente Lopik. ArGeoBoor wijst erop dat men bij bodem- verstorende activiteiten verplicht is om eventuele vondsten en grondsporen te melden bij de Minister van OCW conform artikel 53 van de Monumentenwet uit 1988. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de Gemeente Lopik.</p>
提供机构:
ArGeoBoor
创建时间:
2015-06-16



