five

Oosterhout, Park 15, fase 1 Oosterhout, Park 15 fase 1

收藏
Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://easy.dans.knaw.nl/ui/datasets/id/easy-dataset:262641
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
In opdracht van Park 15 bv heeft BAAC BV (onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie) te ’s-Hertogenbosch tussen 27 oktober en 19 december 2014 een Inventariserend VeldOnderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd in het plangebied Park 15 - fase 1 te Oosterhout (Gld.). Tijdens het onderzoek zijn in totaal 123 proefsleuven aangelegd. De aanleiding voor het archeologisch onderzoek is de voorgenomen realisatie van het bedrijventerrein Park 15. Het uitgevoerde onderzoek is het vervolg op een reeks inventariserende onderzoeken, zowel verkennend als karterend of middels proefsleuven, die tussen 1997 en 2009 in en om het onderzoeksgebied door diverse partijen zijn uitgevoerd. Binnen dit gebied zijn bij het vooronderzoek laklagen op verschillende niveaus waargenomen en is de aanwezigheid van meerdere vindplaatsen uit de periode late bronstijd – vroege middeleeuwen vastgesteld. Naast het graven van proefsleuven maakte ook een Archeologische Begeleiding protocol opgraven deel uit van het onderzoek. Onderwerp waren een tiental geschutsstellingen en aanverwante structuren uit de Tweede Wereldoorlog. De ondergrond bestaat uit een geërodeerd rivierterrassenlandschap dat wordt afgedekt door fluviatiele afzettingen van de Ressense stroomgordel en de Waal. Er zijn vier stratigrafische afzettingsfases te herkennen, die veelal in de top worden gekenmerkt door de aanwezigheid van een laklaag, een slechter ontwikkelde vegetatiehorizont of verweerde/verbruinde bodemhorizont. Deze kunnen worden gecorreleerd aan verschillende fluviatiele meanderingsfases van de Ressense stroomgordel en de Waal. De archeologische niveaus worden afgedekt door een pakket jongere komafzettingen. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is duidelijk geworden dat de vindplaatsen zich voornamelijk concentreerden nabij de actieve rivierlopen van de Ressense stroomgordel of latere restgeulen. Na het passeren van de terraskruising gedurende het midden-neolithicum (5000 14C BP) is het oorspronkelijke rivierterrassenlandschap geleidelijk aan opgevuld met fluviatiele sedimenten van de Ressense stroomgordel. De actieve rivierloop koos vermoedelijk in eerste instantie de aanwezige boreale rivierdalen als rivierdalvlakte. Na opvulling van deze dalen werden ook de omringende, oudere rivierterrassen geërodeerd en/of afgedekt door holocene fluviatiele afzettingen. Ten behoeve van het onderzoek is het onderzoeksgebied onderverdeeld in de deelgebieden West, Midden, Oost en Bouwweg. In elk van de vier deelgebieden zijn archeologische resten aangetroffen. In het deelgebied Bouwweg is dit slechts in beperkte mate het geval maar dit zal mede het gevolg zijn van geringe onderzochte oppervlak en van de gebruikte strategie. De in dit deelgebied vermoede Romeinse weg bleek niet aanwezig. In deelgebied West zijn verspreid over vijf sleuven de resten aangetroffen van een grafveld uit de Romeinse tijd. De graven zijn aangetroffen binnen een langgerekte zone met een noordwestzuidoostelijke oriëntatie. Deze zone heeft een lengte van ten minste 150 meter en een breedte van minimaal 60 meter. In de sleuven zijn vijf crematiegraven aangetroffen, vergezeld van 14 grafstructuren. In deelgebied zijn verspreid over vijf sleuven de resten aangetroffen van een grafveld uit de Romeinse tijd. De graven zijn aangetroffen binnen een langgerekte zone met een noordwestzuidoostelijke oriëntatie. Deze zone heeft een lengte van ten minste 150 meter en een breedte van minimaal 60 meter. In de sleuven zijn vijf crematiegraven aangetroffen, vergezeld van 14 grafstructuren. In deelgebied Midden is een sporencomplex aangetroffen dat zich uitstrekt over vrijwel het gehele deelgebied. In totaal hebben 34 van de 55 sleuven die hier zijn aangelegd archeologische sporen opgeleverd. De spoordichtheid verschilt wel aanzienlijk per sleuf. Zoals is gebleken, is de spoordichtheid in de meeste sleuven niet heel hoog. In ten minste acht sleuven is echter sprake van een concentratie sporen op grond waarvan vermoed kan worden dat hier gaat om een delen van plattegronden. Voor de zones rond de lege sleuven kan niet gesteld worden dat zij niet gebruikt werden, de verspreiding van het vondstmateriaal wijst er op dat zij wel degelijk tot het gebruikte areaal behoorden. Dit gebruik zal echter mogelijk minder intensief zijn geweest of minder sporen hebben nagelaten. De spoorverspreiding binnen het deelgebied lijkt ogenschijnlijk vrij willekeurig te zijn, hoewel de meeste sporen zich in de westelijke helft van het deelgebied, ten westen van de voormalige vindplaats 18, bevinden. Deze concentratie valt grotendeels samen met de meest westelijke rug die circa 40 cm hoger gelegen is dan de twee oostelijker gelegen ruggen. Tussen vindplaats 18, gelegen op de middelste rug, en de meest westelijke rug bevindt zich een geul. Desondanks zijn hier eveneens sporen van menselijk handelen aangetroffen. In ten minste één van de sleuven zijn de resten van een hekwerk aangetroffen, bestaande uit een rij staakgaten met een tussenafstand van 60 tot 80 cm. Dergelijke hekwerken zijn in het rivierengebied een vaak voorkomend fenomeen bij midden-bronstijd nederzettingen, met name in de lage delen rondom nederzettingen. Aangezien dergelijke hekwerken vaak in verband worden gebracht met het (in bedwang) houden van vee, ligt het voor de hand de geul tussen de beide westelijke ruggen te beschouwen als een gebied waar niet zozeer gewoond werd maar waar andere activiteiten werden ondernomen en als zodanig wellicht wel deel uit maakte van een erf. Te denken valt hierbij niet alleen aan het houden van vee, maar ook het bedrijven van landbouw. Hierbij moet wel de kanttekening worden geplaatst dat hekwerken ook veelvuldig aangetroffen worden binnen de middenbronstijdnederzettingen. Het vondstmateriaal, en met name het aardewerk, aangetroffen bij de aanleg van de sleuven duidt op een datering van de sporen in het neolithicum en/of de midden-bronstijd. Ook enkele mogelijke structuren wijzen op een datering in de midden-bronstijd of meer specifiek de midden-bronstijd B. Uitzondering vormt één vondstrijke kuil. Hierin werd een concentratie handgevormd aardewerk aangetroffen die in de ijzertijd of Romeinse tijd gedateerd moet worden. Deze kuil lijkt echter binnen het deelgebied qua datering een uitzondering te zijn gezien de datering van het bij de aanleg aangetroffen aardewerk. In tegenstelling tot wat bij de andere deelgebieden is vastgesteld, is er in deelgebied oost geen sprake van clustering van grondsporen: elke proefsleuf bevat enkele verspreid liggende sporen. Gezien de kleine aantallen sporen per sleuf en de verspreide ligging is het niet verwonderlijk dat er geen structuren onderscheiden kunnen worden. In deelgebied Oost zijn slechts zes fragmenten aardewerk aangetroffen waaronder vijf afkomstig uit twee kuilen. Deze kuilen kunnen op grond van dit aardewerk respectievelijk gedateerd worden in de (late) bronstijd of ijzertijd en de gehele late prehistorie. Baac bv acht de vindplaatsen in de deelgebieden West, Midden en Oost behoudenswaardig. Voor elk van de vindplaatsen geldt dat het archeologisch vlak zich bevindt op een diepte van 40 tot 70 cm beneden maaiveld. Hierboven bevindt zich vaak nog een laklaag/vondstlaag met een dikte van 15 tot 20 cm. Dit betekent in de praktijk dat er zich archeologische resten kunnen bevinden vanaf 20 cm beneden maaiveld oftewel direct onder de bouwvoor. Alle werkzaamheden die verstoringen tot gevolg hebben die dieper reiken dan de bouwvoor dien dus vermeden te worden binnen de genoemde vindplaatsen. Dit betekent dat behoud in situ voor de vindplaatsen alleen mogelijk is indien de vindplaatsen niet bebouwd en/of beplant worden. Uit het bovenstaande volgt dat voor de vindplaatsen wordt geadviseerd deze in te passen in de ontwikkelingsplannen en op deze wijze de vindplaatsen in situ te bewaren. Gedurende het onderzoek zijn door middel van een archeologische begeleiding tien locaties uit de Tweede Wereldoorlog onderzocht. Met uitzondering van één locatie kunnen deze allemaal in verband worden gebracht met de aanwezigheid van een artillerie-eenheid van het Britse leger en, meer specifiek, de aanwezigheid en gebruik van het Britse 25-ponder veldgeschut. Het gaat hierbij om vier geschutsstellingen, één onderkomen, één onderkomen of munitieopslag en één afvalkuil. Uit de luchtfoto’s genomen in de Tweede Wereldoorlog blijkt dat deze structuren ná 19 september en vóór 23 december 1944 zijn aangelegd. Eén locatie omvatte een Duitse 2 cm-geschutopstelling, aangelegd tussen 12 en 19 september 1944.
创建时间:
2024-01-31
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务