five

Bureauonderzoek en Karterend Booronderzoek Archeologie Plangebied Hilversumseweg 37 te Laren, gemeente Laren

收藏
Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-x55-pdam
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
Hamaland Advies heeft in opdracht van het Rijksvastgoed en Ontwikkelingsbedrijf (RVOB), Directie West te Den Haag, een archeologisch bureauonderzoek en een karterend archeologisch bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Hilversumseweg 37 te Laren, gemeente Laren (zie Afbeelding 1 en bijlage 1). Het plangebied heeft een omvang van 3.432m².Het Rijksvastgoed en Ontwikkelingsbedrijf (RVOB) regio West uit Den Haag is voornemens om het terrein en de gebouwen te verkopen. Met het oog op de voorgenomen verkoop van het terrein en de gebouwen inventariseert het RVOB welke beperkingen er voor de (her)ontwikkeling van het terrein gelden en wordt een risico-inventarisatie verricht. Deze archeologische studie maakt hiervan deel uit. Er zijn vooralsnog geen bodemingrepen of ontwikkelingen op het terrein voorzien, behalve dat de randzone ingericht ten behoeve van een nieuw op- en afrit voor Rijksweg A1.Het plangebied heeft op basis van de Archeologische Verwachtingskaart van gemeente Laren (2011) vanwege de ligging in een Droog Dal een hoge verwachting, maar vanwege de ligging in de invloedssfeer van de A1 ‘geen’ verwachting. Een en ander wordt bevestigd door de Archeologische Waardenkaart en de Beleidskaart (Laren, 2011). Bekend is dat het plangebied eerder bebouwd is (1926) dan de A1 is gerealiseerd (vanaf 1932). De A1 is als het ware om het plangebied heen gelegd. De verwachting is dat de A1 een minimum aan verstoringen in het plangebied teweeg gebracht heeft en dat derhalve de trefkans op archeologische vindplaatsen aannemelijk is. Onderzoek is noodzakelijk bij ingrepen waarvan het oppervlak groter is dan 200 m² en de ingrepen dieper dan 30cm –mv. Derhalve dient een archeologisch verkennend onderzoek uitgevoerd te worden conform de Wet op de archeologische monumenten zorg (Wamz) en conform het Bestemmingsplan om de archeologische verwachting voor het plangebied te toetsen.De boringen hebben tot doel te controleren of er sprake is van een intact bodemprofiel, waarin zich mogelijke archeologische niveaus bevinden. Indien sprake is van een intact bodemprofiel zal een waarderend archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen vast te kunnen stellen.ConclusieOp grond van de bestudeerde bronnen en gezien de reeds bekende waarnemingen in de omgeving, kan geconcludeerd worden dat het plangebied een hoge trefkans heeft op archeologische resten uit alle perioden.Gemeentelijk beleid is om in geval van planvorming en voorafgaand aanvergunningverlening voor bodemingrepen vroegtijdig archeologisch onderzoek in de vorm van een inventariserend archeologisch veldonderzoek uit te voeren. Dit om de archeologische waarden van de gronden vast te stellen en in voldoende mate aan te geven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.Op grond van de realisatie van Villa Rietvink in 1926 is de natuurlijke bodemopbouw mogelijk voor een deel verstoord tot op onbekende diepte. Dit zal door middel van bodemonderzoek aangetoond moeten worden. Door realisatie van de bestaande op- en afrit van de A1- tussen 1962 en 1974 worden alleen aan de rand van het plangebied bodemverstoringen verwacht.SelectieadviesNormaliter wordt om de intactheid van de bodem te toetsen, voor bodemingrepen in eerste instantie gekozen voor een verkennend booronderzoek met een boordichtheid van 6 boringen per hectare met een minimum van 5 boringen. Gerelateerd aan het plangebied (3.432m²) zijn dit minimaal 5 boringen. Wanneer de bodemopbouw intact blijkt te zijn, kan de boordichtheid worden verhoogd naar 20 boringen per hectare om archeologische vindplaatsen vast te stellen (conform methode E1, van de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek, Tol 2012 vanwege de brede zoekoptie waarbij vindplaatsen uit alle perioden aanwezig kunnen zijn). Gerelateerd aan het plangebied (3.432m²) zijn dit minimaal 5 boringen.Geadviseerd wordt om voor bodemingrepen gezien de omvang van het plangebied en het ontbreken van een numerieke direct verschil tussen verkennend en karterende boringen, direct karterend te boren. De boringen worden zoveel mogelijk in een driehoeksgrid geplaatst en zullen tot 25 cm in de ongeroerde grond worden doorgezet. Deze karterende boringen worden gezet met een zogenaamde megaboor 15cm.De gehele boorkern dient te worden gezeefd (bij zand) op een metalen zeef met een maaswijdte van 4 mm voor controle op archeologische indicatoren. Archeologische indicatoren kunnen bestaan uit fragmenten aardewerk, houtskool, bewerkt vuursteen, verbrande leem, slakmateriaal, etc. Doel van het verkennend booronderzoek is het vaststellen van samenstelling van de bodemopbouw en de mate van de intactheid van de bodemopbouw.Doel van het karterend booronderzoek is de toetsing van de intactheid van de bodem en bij een intacte bodem het vaststellen van de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen en zo ja welke en waar (welke diepte)en in welke vorm. De boringen worden ingemeten ten opzichte van het maaiveld. Op grond van de onderzoeksresultaten van het booronderzoek zal in overleg met het bevoegd gezag bepaald worden of nader onderzoek (proefsleuvenonderzoek of bouwbegeleiding) noodzakelijk is of niet.Bij een goede vondstzichtbaarheid dient een veldkartering te worden uitgevoerd op aardewerkscherven en/of bouwmateriaal/baksteenpuin die de mogelijke aanwezigheid van een steenhuis kunnen bevestigen. Bij concentraties van bouwmateriaal dient met een prikstok gecontroleerd te worden of er sprake is van funderingen, vloeren e.d.Resultaten veldonderzoekIn totaal zijn door E. van der Kuijl op 5 oktober 2014 vijf (5) boringen geplaatst met een zogeheten megaboor met een boordiameter van 15 cm. Onder een dunne laag bosstrooisel of graszode bevindt zich een subrecente bouwvoor die puin en boomwortels bevat. Vanaf een diepte van circa 40 cm is de oorspronkelijke eerdlaag aangetroffen, waarin zich o.a. subrecent bouwpuin bevindt (baksteen, fragmenten van tegels, glas, fragmenten steenkool e.d.). Aan de basis van de eerdlaag bevindt zich een gemengde A/C horizont, waarbij de basis van het eerddek en de top van het dekzand met elkaar vermengd zijn geraakt als gevolg van eerdere bodemingrepen (ploegen en/of spitten). Daaronder bevindt zich vanaf circa 110 cm-mv grindrijk dekzand. Deze laag wordt naar onder steeds grindrijker en gaat dan over in grofzandige grindrijke gestuwde afzettingen van de stuwwal van Laren. Een uitzondering hierop is boring 5. Deze is gezet aan de noordoostzijde van de villa, naast de aangebouwde vleugel. Hier blijkt sprake te zijn van een groot aantal ophogingslagen die vermoedelijk tijdens met het uitgraven van de bouwput voor de aangebouwde vleugel zijn ontstaan. Onder een 40 cm dikke laag zwarte tuinaarde bevindt zich tot op een diepte van 220 cm-mv een zestal puinrijke subrecente ophogingslagen die in dikte variëren van 15 tot 40 cm. Alle lagen gaan scherp over in elkaar. Pas op een diepte van 220 cm-mv is sprake van kiezelrijk dekzand, de natuurlijke ondergrond.Doordat de bodemopbouw niet meer intact is en doordat relevante archeologische indicatoren die in situ zijn aangetroffen ontbreken, zijn er geen archeologische vindplaatsen (meer) te verwachten in het plangebied. Het plangebied is vanaf de 19e eeuw in gebruik geweest voor landbouwdoeleinden en vanaf 1926 bebouwd met Villa Rietvink. Tijdens de bouw van de villa en later de vleugel en de inrichting van het terrein is de bodem grotendeels tot in de top van de natuurlijke ondergrond geroerd.SelectieadviesVanwege het ontbreken van een intacte bodemopbouw en het ontbreken van relevante archeologische indicatoren (in situ), zien wij geen aanleiding om vervolgonderzoek te laten verrichten in het plangebied. Wij zien vanuit archeologisch oogpunt geen bezwaar tegen en bodemingrepen in het plangebied.SelectiebesluitHet conceptrapport en het selectieadvies zijn op 11 februari 2016 beoordeeld door het bevoegd gezag, gemeente Laren en diens adviseur, mevr. E. van Rooijen van Cultuurcompagnie Noord-Holland. De beoordeling van het conceptrapport luidt dat er strikt genomen zouden er eigenlijk iets meer boringen gezet moeten worden om echt vindplaatsen te kunnen opsporen. Maar gezien de resultaten; het ontbreken van vondsten in de zeefmonsters en de verstoring van de top van het dekzand, kunnen we ervan uitgaan dat het terrein voldoende is onderzocht. Op basis van de resultaten van het archeologisch vooronderzoek wordt in het plangebied geen archeologische vindplaats verwacht. Er wordt derhalve geen vervolgonderzoek geadviseerd. Dit selectieadvies wordt onderschreven.Verder dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijk emeldingsplicht (ex artikel 53 Monumentenwet 1988) kenbaar te worden gemaakt, om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister”. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. Het verdient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Laren (J. van de Geest, e-mail: jan.vandegeest@belcombinatie.nl) hiervan per direct in kennis te stellen.
创建时间:
2024-01-31
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务