Didam, Kerkwijk Fase VIII: IJzertijd in Didam
收藏Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/U71GEY
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Aanleiding voor dit archeologisch onderzoek is de verdere ontwikkeling van de woonwijk Kerkwijk in Didam. Binnen het plangebied Kerkwijk Fase VIII is de nieuwbouw van in totaal 26 woningen gepland. De toekomstige verstoringsdiepte is nog niet bekend, maar zal zeker tot 80 cm onder het maaiveld reiken. De totale oppervlakte van het onderzoeksgebied bedraagt circa 1,15 ha (circa 11.476 m2). Het onderzoeksgebied zal in twee fasen ontwikkeld gaan worden, waarbij de eerste fase (grofweg de helft van het totale plangebied) nu is onderzocht. De tweede fase zal in een later stadium onderzocht worden. Voorafgaand aan dit proefsleuvenonderzoek is een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens dit vooronderzoek is een intacte bodemopbouw aangetoond. In combinatie met de grote hoeveelheid archeologische indicatoren in de boringen, heeft Hamaland Advies geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek te laten uitvoeren. Dit advies is door het bevoegd gezag, de gemeente Montferland, overgenomen als onderdeel van de procedure met betrekking tot de noodzakelijke wijziging van het bestemmingsplan. Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd door Team Archeologie van de gemeente Zutphen. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) opgesteld voor het proefsleuvenonderzoek (BRL protocol 4003) met daarin de eisen voor een mogelijke doorstart naar een opgraving (BRL protocol 4004). In dit PvE is de volgende vraagstelling opgenomen: De vraagstelling van het IVO-P en de eventuele opgraving (als doorstart vanuit het IVO-P na besluit van het bevoegd gezag) betreft het toetsen van de aanwezigheid van archeologische resten en, indien aanwezig, het documenteren ervan. Indien deze resten worden aangetroffen betreft de vraagstelling van het IVO-P mede de vragen waarop het onderzoek antwoord kan geven, in eerste instantie de aard, omvang, datering en fasering van de aangetroffen (potentieel) behoudenswaardige archeologische resten. Voor zover de aangetroffen archeologische resten hiertoe aanleiding geven richt de vraagstelling zich eveneens op de volgende aspecten: bodemkunde, fysische geografie, paleozoölogie, paleobotanie, dendro(chrono)logisch en/of 14C–onderzoek. Indien na uitvoering van het IVO-P blijkt dat er nieuwe inzichten zijn ontstaan t.a.v. de archeologische verwachting en de bodemstratigrafie dan zal voorafgaand aan de opgraving een aanvulling (wijzigingsblad) op dit PvE moeten worden opgesteld, e.e.a. in overleg met het bevoegd gezag en diens archeologisch adviseur. Tijdens het onderzoek is de westelijke helft van het plangebied onderzocht waarbij vijf proefsleuven aangelegd zijn. Het gaat om de proefsleuven 1, 3, 4, 6 en 7 (deels) die in de navolgende tekst wisselend proefsleuven en (werk)putten genoemd worden. Het graafwerk is uitgevoerd met een bandenkraan met een brede, gesloten, gladde bak. Het graafwerk is laagsgewijs uitgevoerd. De werkputten en de stort zijn zowel tijdens de aanleg van het vlak als daarna met een metaaldetector onderzocht. Na het aanleggen van de werkput heeft het verdere graafwerk handmatig plaatsgevonden. Daar waar nodig is het vlak verder opgeschaafd om sporen bloot te kunnen leggen. Van alle werkputten zijn vlakfoto’s gemaakt, de sporen zijn digitaal ingemeten en beschreven, de profielen zijn analoog gedocumenteerd en relevante sporen zijn gecoupeerd, bemonsterd en analoog gedocumenteerd. Vondstmateriaal is zoveel mogelijk gekoppeld aan sporen en stratigrafische lagen. Binnen het proefsleuvenonderzoek was ruimte voor circa 150 vierkante meter vrij te besteden opgravingsruimte om de proefsleuven naar inzicht van de betrokken senior archeoloog uit te breiden. Dit is gedaan bij werkput 6 omdat hier een sporen- en vondstencluster is aangetroffen. In een poging om de vindplaats te begrenzen is naar het noorden toe circa 16 m2 extra proefsleuf aangelegd, en naar het zuiden toen eerst met een strook van 4 meter breed van in totaal 76 m2 en daarna nog een tweede strook van 45 m2. Door deze tweede uitbreiding naar het zuiden was het mogelijk om een aansluiting te maken op een stuk niet afgegraven grond, waardoor zo toch een compleet profiel verkregen werd. Door de uitbreidingen is de vindplaats goed begrensd en is duidelijk geworden dat de aangetroffen zwerm aan vondsten in de oude akkerlaag zich beperkt tot een zone rond de aangetroffen sporen. In overleg met het bevoegd gezag, mevr. Anneke Zonneveld van de gemeente Montferland, is vervolgens besloten om de aangetroffen sporen volledig te onderzoeken en te behandelen onder protocol opgraven. Waarmee alle aangetroffen sporen zijn gecoupeerd, gedocumenteerd en afgewerkt. De westelijke helft van het plangebied dat nu is onderzocht is na afloop van het onderzoek, in overleg met het bevoegd gezag, vrijgegeven voor de geplande werkzaamheden.
创建时间:
2024-01-31



