Noordzijde 77, Bodegraven (gemeente Bodegraven-Reeuwijk)
收藏资源简介:
ADC ArcheoProjecten heeft in september en oktober 2021 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd voor de locatie Noordzijde 77 in Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen oprichting van drie woningen. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Het plangebied is gelegen op de oeverwal van de Oude Rijn meandergordel. Op grond van de datering van de meandergordel en archeologische waarnemingen op de daaraan gerelateerde afzettingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van vindplaatsen uit de Romeinse tijd en met name uit de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd. De aanwezigheid van pre-Romeinse resten is gezien de ligging, direct aan de jongste stroomgeul van de Oude Rijn meandergordel, niet waarschijnlijk. Het huidige Bodegraven dateert vermoedelijk uit de Vroege Middeleeuwen. Het staat vast dat er halverwege de 11e eeuw sprake was van een kleine nederzetting. Op zowel de noord- als de zuidoever van de Oude Rijn ontstond een bebouwingslint. Het plangebied maakt deel uit van het bebouwingslint op de noordoever, langs de Noordzijde/Noordstraat. Op basis van oude kaarten blijkt dat in 1829 sprake was van een boerderij, bijgebouw en hooiberg binnen het plangebied. Aangezien nieuwe boerderijen vaak op dezelfde plek werden gebouwd als de oude, is het niet uit te sluiten dat de recent gesloopte boerderij op de locatie één of meer voorgangers heeft gehad en dat er sprake is van een archeologische vindplaats uit de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd. Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de diepere ondergrond in het noordelijk en centrale deel van het plangebied wordt gevormd door beddingafzettingen, bestaande uit kalkrijk, matig grof zand. Deze worden afgedekt door een 95 tot 145 cm dik pakket oeverafzettingen bestaande uit kalkrijke, sterk siltige klei. In het zuidelijk deel zijn eveneens beddingafzettingen aanwezig, maar gaan zij over in een 140 tot 180 cm dikke restgeulvulling bestaande uit sterk humeuze of venige klei en sterk kleiig veen. De bovengrond heeft een dikte van 60 tot 120 cm en bestaat hoofdzakelijk uit puinhoudende klei. In de oeverafzettingen in het noordelijk en centrale deel van het plangebied is geen ‘vuile laag’ of bodemvorming waargenomen. Op basis hiervan kan de verwachting voor resten uit de periode Romeinse tijd tot en met Vroege Middeleeuwen naar laag worden bijgesteld. Het booronderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van bewoningsresten ouder dan de in 2019 gesloopte boerderij. Het puinhoudende kleipakket in de boringen die op de locatie van de gesloopte boerderij zijn verricht, wordt gezien de vrij slappe consistentie als een recent herbewerkt pakket beschouwd, waarschijnlijk gerelateerd aan de sloop van de afgebrande boerderij. Het in de overige boringen aangetroffen puin wordt als (sub)recent geïnterpreteerd en is opgebracht om het erf te verstevigen. Op basis hiervan kan de verwachting voor resten uit de periode Late Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd eveneens naar laag worden bijgesteld.



