Een archeeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende boringen) in plangebied Barneveld - Harselaar Zuid, fase 1b, deelgebied 1
收藏DANS Data Station Archaeology2018-08-28 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-XBS-4VQE
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>Het plangebied Harselaar Zuid wordt sinds 2015 ontwikkeld tot bedrijventerrein. Voorafgaand aan de ontwikkeling hebben diverse archeologische onderzoeken plaatsgevonden. Ten behoeve van de ontwikkeling van fase 1b dient in enkele deelgebieden echter nog aanvullend archeologisch onderzoek plaats te vinden. Het bureauonderzoek is erop gericht een specifiek verwachtingsmodel voor het terrein op te stellen met de bekende en verwachte archeologische waarden. Met het booronderzoek wordt deze verwachting in het veld getoetst. Het booronderzoek heeft specifiek tot doel vast te stellen of er in de ondergrond inderdaad dekzandruggen gelegen zijn, of dat er sprake is van een lager gelegen terrein. Op basis van de resultaten volgt een advies over de noodzaak van vervolgonderzoek.</p><p>Het booronderzoek betreft een booronderzoek verkennende fase van het IVO-Overig. De boringen zijn gezet in drie raaien met een onderlinge afstand van 50 m, waarbij de boringen in elke raai 40 m uit elkaar liggen. Op deze manier zijn in totaal 23 boringen gezet. De boringen zijn uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en zijn gezet tot minimaal 30 cm in de C-horizont. De locatie en de hoogte van de boringen is vastgelegd met een DGPS met een nauwkeurigheid < 3 cm. De boringen zijn in het veld beschreven door een senior prospector volgens de Archeologische<br>Standaard Boorbeschrijving (ASB) welke voldoet aan de NEN5104 norm. Alle grond is met blote oog onderzocht op archeologische indicatoren (verbrokkelen/snijden).</p><p>Het booronderzoek heeft een goed beeld gegeven van de bovenste ca. 1-1,5 m van de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied. Er is sprake van een vrij uniforme profielopbouw met geringe hoogteverschillen. Aan het maaiveld bevindt zich een 0,15-0,30 m dikke bouwvoor van matig siltig, matig fijn zand. Hieronder bevindt zich een pakket, soms bestaande uit meerdere lagen, dat kan worden geïnterpreteerd als esdek of enkeergrond. Daaronder bevond zich de de C-horizont, waarvan de top zich tussen de 0,4 en 1 m -Mv (10,82 en 11,52 m +NAP) bevindt. De laagste delen liggen in<br>het uiterst westen van het plangebied. Voor het overige terrein geldt dat er sprake is van een flauw hellend vlak dat richting het zuiden afloopt. De top van de C-horizont ligt langs de beek gemiddeld iets dieper dan elders. Ter hoogte van de boringen 3 en 17 is vermoedelijk een oude sloot aangeboord, verder zijn geen verstoringen aangetroffen.</p><p>Op basis van de resultaten van het booronderzoek kan de archeologische verwachting enigszins worden aangescherpt. Binnen het onderzoekgebied zijn geen afzonderlijke dekzandruggen te herkennen, maar hoe het terrein zich verhoudt ten opzichte van de directe omgeving is moeilijk te zeggen. Er is sprake van een dun esdek, maar het gaat daarbij vermoedelijk niet om een plaggendekken in de traditionele betekenis van het woord. Eerder moet worden gedacht aan de hiervoor genoemde 18e/19e-eeuwse ophogingen die vooral als grondverbetering zijn aangebracht om natte delen van het landschap geschikt te maken voor akkerbouw. Er zijn echter geen grootschalige verstoringen aangetroffen en eventuele grondsporen zouden onder een degelijk akkerdek goed geconserveerd kunnen zijn. Dergelijke sporen zouden zich in de top van de C-horizont (ca. 10,8-11,5 m +NAP) moeten aftekenen en zijn met een booronderzoek niet op te sporen. Vondstlagen zijn niet aanwezig.</p><p>Op basis hiervan valt niet uit te sluiten dat archeologische resten binnen het gebied aanwezig zijn. Omdat eventuele resten zich kenmerken door grondsporen en er geen vondstlagen aanwezig zijn, zijn deze door middel van booronderzoek niet op te sporen. Geadviseerd wordt daarom om eventuele in het gebied aanwezige archeologische<br>resten door middel van proefsleuvenonderzoek te karteren en, indien aanwezig, te waarderen. Deze proefsleuven zouden haaks op het reliëf georiënteerd (noord-zuid) moeten zijn en een dekkingspercentage van ca. 7,5% moeten hebben.</p>
提供机构:
Archol bv
创建时间:
2018-08-29



