five

Archeologisch inventariserend velodonderzoek (IVO-O) Ten Boer, Vijverweide, Gemeente Groningen (GR)

收藏
DataCite Commons2025-01-30 更新2025-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/QJHU4V
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
Ten Boer is gesitueerd in de landschapsregio De Wolden. Het betreft een voormalige veengebieden ten oosten en noorden van de stad Groningen waar het veendek door ontginningen en oxidatie is verdwenen. Tijdens het Saalien stuwde het landijs in de regio een rug op waarop tegenwoordig de dorpen van Slochteren tot Heveskes zijn gesitueerd. Ten tijde van het Weichselien werd een dikke laag dekzand afgezet dit resulteerde in dekzandwelvingen die min of meer aansluit op de keileemrug. Vanaf het Holoceen stegen de temperaturen waardoor het ijs smolt en de grondwaterspiegel steeg. Hierdoor ontstond rond 6000 tot 5000 v.Chr. een gunstig klimaat voor veenvorming. Achter de kust vormden zich uitgestrekte veengebieden, die zich steeds verder uitbreidden over de hogere gronden. Er ontstond een gelaagde bodemopbouw van veen en klei. Aan de noordkant van het gebied vormde zich een trechtervormige inham, de latere Fivelboezem. Hierin mondden de veenstroompjes uit, die ontsprongen in veenmeertjes als het Foxholstermeer. Rond het getijdenbekken van de Hunze ontstond een haakvormige kwelderrug, die afboog in de richting van Winsum, Baflo en Usquert. In de luwte van deze rug vormde zich een kweldervlakte, die aan de achterzijde werd begrensd door de getijdenbekken van de Fivel. Aan de zuidwestkant bevond zich het mondingsgebied van de Hunze (het latere Selwerderdiepje). De loop van enkele riviertjes is dikwijls nog als een inversiewelving in het landschap te zien, doordat de klei die zich hier heeft afgezet minder sterk is ingeklonken dan het omliggende land. Op basis van de top pleistocene oppervlakte kaart uit Archis en grondboringen uit DINOloket bevindt het pleistocene dekzand binnen de onderzoeksgebieden zich op een diepte van 4 tot 6 of 6 tot 8 meter beneden maaiveld onder een dik pakket afgezet klei. Mogelijk duidt het verschil in diepte van het pleistoceen oppervlak op de ligging van Ten Boer naast een pleistocene geul. In de ijzertijd en Romeinse tijd was bewoning enkel mogelijk op hogere ruggen in het landschap. Op de getij-inversierug is op basis van de geomorfologische kaart één wierde opgeworpen ter hoogte van Ten Boer (zie bijlage 3). Op basis van de subrecent onderzoek is bevestigd dat in het noordoosten van Ten Boer een tweede wierde in dezelfde periode is opgeworpen. Op de AHN zijn beide wierden en de getij-inversierug zichtbaar, het plangebied bevindt zich niet op de wierde. Vanaf de 8e eeuw werden de veengronden in het onderzoeksgebied ontgonnen. Als gevolg hiervan vond bodemdaling plaats, waardoor, omstreeks 1000 na Chr., huiswierden werden opgeworpen. Vanaf de 12de eeuw begon men zich beter te wapenen tegen de overstromingen door kanalen en dijken aan te leggen. Bij diverse archeologische onderzoeken in de gemeente Groningen zijn in de klei-afzettingen donker gekleurde vegatatieniveaus herkend. Deze laten zien dat er drogere periodes tijdens de zee-inbraken zijn geweest waarin zich vegetatie op de klei kon ontwikkelen. In die periodes zal ook bewoning in het gebied mogelijk zijn geweest. Een aantal onderzoeken heeft uitgewezen dat inderdaad nederzettingssporen gekoppeld kunnen worden aan de vegetatieniveaus. Het gaat vaak om sporen uit de vroege tot late ijzertijd, vroege middeleeuwen en late middeleeuwen. Zo zijn er in Ten boer enkele gouden middeleeuwse munten en onder andere vroeg middeleeuws aardewerk aangetroffen. Laat-paleolithicum tot het neolithicum In de steentijd (paleolithicum t/m neolithicum) leefden de mensen voornamelijk van de jacht, visvangst en het verzamelen van eetbare planten en vruchten. Deze zogenaamde jager-verzamelaars trokken door het landschap en verbleven alleen tijdelijk op een plek. Uit een ruimtelijke analyse blijkt dat hun kampementen in vrijwel alle gevallen waren gesitueerd op de overgang van nat naar droog. Nabij dergelijke gradiëntzones waren namelijk de meeste voedselbronnen voorhanden en was (drink )water bereikbaar. Binnen De Wolden zijn diverse vondstlocaties bekend uit het mesolithicum. Door kleiafzettingen ligt het pleistocene niveau waarop eventuele sporen uit deze perioden verwacht kunnen worden op ca. 4 tot 8 m beneneden maaiveld. Indien bodemingrepen dieper dan 4 m beneden maaiveld plaatsvinden kunnen resten uit deze perioden niet uitgesloten worden. Er geldt dan ook een middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit deze periode. Met de introductie van de landbouw (vanaf het neolithicum) werd de mate waarin gronden geschikt waren om te beakkeren een steeds belangrijker factor in de locatiekeuze van de mensen. De eerste akkergronden werden aangelegd op de van nature vruchtbaarste gronden. Bovendien moesten de gronden goed ontwaterd zijn. Dergelijke gronden zijn te verwachten op de hogere zandgronden. Binnen De Wolden zijn nederzettingssporen van de Trechterbekercultuur bekend. Vanaf de bronstijd treedt vernatting op binnen De Wolden en zijn de plangebieden vermoedelijk niet geschikt voor bewoning. Door veen- en kleiafzettingen ligt het pleistocene niveau waarop eventuele sporen uit deze perioden verwacht kunnen worden op ca. 4 tot 8 m beneneden maaiveld. Indien bodemingrepen dieper dan 4 m beneden maaiveld plaatsvinden kunnen resten uit het neolithicum niet uitgesloten worden en geldt een middelhoge verwachting op archeologische resten. Voor de bronstijd geldt een lage verwachting op archeologische resten omdat het gebied in deze periode vermoedelijk te nat voor bewoning was. Vanaf de ijzertijd is bewoning langs de randen van het veen op hogere delen van het landschap mogelijk binnen de regio. Bewoning vindt plaats op getij-inversieruggen waar in de daaropvolgende periode wierden werden opgeworpen. Ter hoogte van Ten Boer bevonden zich op basis van recente archeologische onderzoeken en vondsmateriaal minimaal twee wierden die in deze periode of in de Romeinse tijd zijn opgeworpen. Binnen het plangebied kunnen enkel resten gerelateerd aan activiteiten die buiten de wierde plaatsvonden worden verwacht. Binnen de gemeente Groningen zijn bij diverse archeologische onderzoeken in de klei-afzettingen donker gekleurde vegetatieniveaus herkend. Deze laten zien dat er drogere periodes tijdens de zee-inbraken zijn geweest waarin vegetatie op de klei kon ontwikkelen en waarin eveneens bewoning mogelijk zal zijn geweest. Een aantal onderzoeken heeft uitgewezen dat inderdaad nederzettingssporen gekoppeld kunnen worden aan de vegetatieniveaus. Het gaat vaak om sporen uit de vroege tot late ijzertijd, vroege middeleeuwen en late middeleeuwen. Indien resten uit de ijzertijd tot en met de middeleeuwen aanwezig zijn kunnen deze onder het maaiveld in de klei-afzettingen worden verwacht. Eventuele resten zullen gerelateerd zijn aan mogelijke vegetatieniveaus in de klei-afzettingen. Ter hoogte van het plangebied is het onbekend of vegetatieniveaus in de klei-afzettingen aanwezig zijn. Voor deze plangebieden geldt een middelhoge verwachting op archeologische resten. Op basis van de historische kaarten van Huguenin (1819-1829) HISGIS en topotijdreis (1850 tot 2006) blijft het plangebied tot de jaren ‘70 en ‘80 van de vorige eeuw onbebouwd. Op de kaart van HISGIS, gebaseerd op de kadastrale minuut 1811-1832, is bebouwing zichtbaar. Resten kunnen direct vanaf het maaiveld verwacht worden en kunnen bestaan uit funderingsresten. Er geldt een lage archeologische verwachting op resten uit de nieuwe tijd. Conform het advies in §2.6 en de gemeentelijke richtlijnen zijn 9 boringen in het plangebied gezet. De boringen zijn uitgevoerd tot een diepte van maximaal 2 m beneden maaiveld, dit is circa 30 cm in de onverstoorde kwelderafzetting. Boringen 1, 2, 6, 8 en 9 lagen in de stoep, waarvoor enkele tegels zijn verwijderd. Boring 6 is drie keer verplaats, in eerste instantie omdat de geplande boring in een boom was geplaatst, en daarna nog twee keer omdat boomwortels voor een ondoordringbare belemmering zorgde. De uiteindelijke boring is in de stoep gezet, maar na 70 cm opnieuw gestaakt omdat op iets hards werd gestuit (dan wel een boomwortel, dan wel een mogelijke kabel). Boring 7 is na vier verplaatsingen in verband met boomwortels in zijn geheel gestaakt, waardoor hier geen gegevens van beschikbaar zijn. De originele locatie van boring 8 bleek in een voortuin van een huis te liggen, daarom is de boring verplaatst naar de stoep. Hierbij werd een kabel aangetroffen, waarna de boring nog een keer is verplaatst. In de boringen die in de huidige stoep zijn gezet is aangetoond dat de bovenste 20-30 cm is verstoord door het opbrengen van een laag geel zand waarop de stoep is gelegd. Binnen het plangebied zijn tevens veel kabels en leidingen aanwezig die de bodem hebben verstoord. Binnen het geplande tracé zijn geen archeologische vindplaatsen bekend. Tijdens het booronderzoek zijn ook geen aanwijzingen aangetroffen, zoals een cultuurlaag of vegetatiehorizont, die duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Op basis van het booronderzoek is geconcludeerd dat de kans klein is dat tijdens de uitvoering van de geplande werkzaamheden archeologische resten zullen worden verstoord.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2025-01-28
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务