Transect-rapport 2250: Inventariserend veldonderzoek, karterende fase. Groenekan, Groenekanseweg 32. Gemeente De Bilt (UT)
收藏DANS Data Station Archaeology2019-08-12 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-ZM5-7FS5
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>In mei 2019 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Groenekanseweg 32 in Groenekan (gemeente De Bilt). De aanleiding voor het onderzoek vormt een beoogde bestemmingsplanwijziging en het gegeven dat in het plangebied sprake is van een archeologische verwachting (Van den Biggelaar en Moerman, 2018). De bestemmingsplanwijziging betreft een omvorming van een perceel met een maatschappelijke bestemming tot een perceel met woonbestemming. Hiervoor is een archeologische waardestelling van het terrein nodig. Daarnaast is een omgevingsvergunning nodig voor de realisatie van woningen.</p><p>Het plangebied ligt op de archeologische beleidsadvieskaart van gemeente De Bilt (Wink et al., 2013) in een zone met te verwachten archeologische waarden – 2 (zones met een (middel)hoge <br>archeologische verwachting). Voor deze zones geldt een archeologische onderzoeksplicht bij initiatieven waarbij bodemingrepen dieper reiken dan 50 cm -Mv en die een oppervlakte groter dan 500 m2 beslaan. Gezien de beoogde bestemmingsplanwijziging is een waardestelling van het terrein <br>nodig. In dit kader heeft eerder een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek plaatsgevonden (Van den Biggelaar en Moerman, 2018). Op basis van dit onderzoek is door de bevoegde overheid <br>besloten dat er een vervolgonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek moet plaatsvinden ter onderbouwing van het nieuwe bestemmingsplan. Aan de hand van dit onderzoek wordt de aan- of afwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied bepaald, die zich kenmerkt door een vondststrooiing. De resultaten van het karterend booronderzoek worden beschreven in deze rapportage.</p><p>Het doel van het Inventariserend Veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de archeologische verwachting, zoals die door Van den Biggelaar en Moerman (2018) bij het bureau- en <br>verkennend booronderzoek is opgesteld. Binnen het Inventariserend Veldonderzoek wordt onderscheid gemaakt in twee fasen, namelijk een verkennende fase en een karterende fase. Tijdens de verkennende fase worden de bodemopbouw, bodemintactheid en bodemreliëf in kaart gebracht. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Tijdens de karterende fase wordt, voor zover <br>mogelijk, de feitelijke aan- of afwezigheid van archeologische waarden vastgesteld. Het huidige onderzoek betreft uitsluitend de karterende fase in de vorm van een booronderzoek. Het verkennend<br>onderzoek staat reeds in Van den Biggelaar en Moerman (2018) beschreven. </p><p>Conclusie<br>Op basis van het karterende booronderzoek zijn een aantal uitspraken te doen:<br>• De ondergrond van het plangebied bestaat uit dekzand, waar enig reliëf in aanwezig is. Op het dekzand is een bouwlanddek is opgeworpen. In het overgrote deel van de boringen (18 van de 20) is <br>geen intact bodemprofiel aangetroffen. In boring 16 en 20 is de bodem nog wel intact; daar wordt deze gekenmerkt door een bouwlanddek, waaronder een E-, B- en C-horizont aanwezig zijn. Alleen ter plaatse van deze boringen is een eventuele vindplaats die zich kenmerkt door een vondstenstrooiing mogelijk intact. <br>• In boring 12 is een fragment bewerkt vuursteen aangetroffen, waarop enkele afslagnegatieven zichtbaar zijn. Deze is echter afkomstig uit een vergraven context, waarmee naar verwachting een <br>eventueel vondstenniveau ook niet meer intact zal zijn.<br>• Gezien de afwezigheid van een intacte bodem in het overgrote deel van het plangebied, en afwezigheid van archeologische indicatoren uit de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum uit onverstoorde context kan de verwachting voor deze periode naar beneden worden bijgesteld.<br>• Bij het doorzoeken van de monsters zijn twee fragmenten laatmiddeleeuws aardewerk aangetroffen, waarvan één met zekerheid als kogelpot is te determineren. Deze zijn afkomstig uit <br>boring 15 en 19. Daarnaast is een fragment tufsteen gevonden in boring 11 en 18. Deze indicatoren kunnen theoretisch wijzen op laatmiddeleeuwse bewoning en/of landgebruik. Echter, er is geen <br>sprake van een vondstconcentratie. Gezien de grote dichtheid van het gebruikte boorgrid en het monstervolume is dit aantal tevens te laag om te spreken van een daadwerkelijke laatmiddeleeuwse <br>vindplaats. Deze indicatoren worden daarom geïnterpreteerd als zijnde mestaardewerk. Aangezien er geen overige archeologische indicatoren zijn aangetroffen (met uitzondering van het overige <br>mestaardewerk uit de Nieuwe Tijd) kan de verwachting voor de periode Neolithicum – Nieuwe Tijd eveneens naar beneden worden bijgesteld.</p>
提供机构:
Transect
创建时间:
2019-08-13



