Bureauonderzoek en Verkennend Booronderzoek Archeologie Plangebied Heidelaan 4 te Eemnes, gemeente Eemnes
收藏DataCite Commons2026-04-21 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/CKYXIQ
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Hamaland Advies heeft in opdracht van Buro Ontwerp & Omgeving een archeologisch
bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied, gelegen op het erf van
Heidelaan 4 te Eemnes, gemeente Eemnes. De ontwikkeling omvat de bouw van een nieuwe rijhal en
een agrarisch bedrijfsgebouw ter plaatse van een paardenbak, weiland, te slopen bebouwing en te
demonteren stapmolen. Het plangebied waar de bodemingrepen zullen plaatsvinden is ca. 2.100 m²
groot. De exacte diepte van de bodemingrepen is in dit stadium nog niet bekend, maar zal door de
fundering van het gebouw dieper liggen dan de vrijstellingsgrens. De toekomstige gebruiker blijft de
huidige bewoner van Heidelaan 4.
Op de archeologische beleidskaart in 2011 en in het bestemmingsplan Buitenrand 2012 heeft het
plangebied een hoge archeologische waarde. De gemeentelijke eis is om KNA conform archeologisch
onderzoek uit te voeren bij plangebieden groter dan 200 m² en bij bodemingrepen dieper dan 30 cmmv.
Vanwege de overschrijding van de vrijstellingsgrens is door Hamaland Advies een KNA conform
bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Tevens is voor het uit te voeren
veldwerk in het onderzoeksgebied een Plan van Aanpak opgesteld1.
Conclusie
Het bureauonderzoek toont aan dat het plangebied een lage tot hoge verwachting heeft voor
vindplaatsen uit alle perioden.
Bewoningsresten uit de prehistorie bevinden zich mogelijk in de top van het dekzand. Direct onder de
bouwvoor bevinden zich de mogelijk nog sporen uit de Middeleeuwen of de Nieuwe Tijd en de Tweede
Wereldoorlog.
Door vervening zijn resten uit de periode IJzertijd-Romeinse Tijd-Volle Middeleeuwen waarschijnlijk
verdwenen. Uitsluitend de diepere sporen in het dekzand zullen mogelijk bewaard zijn gebleven. De
bodemverstoringen door agrarische bewerking bedragen naar verwachting maximaal 50 cm-mv
(ploegdiepte). Potentieel aanwezige archeologische lagen uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd zijn
daarmee mogelijk verstoord. Prehistorische bewoningsniveaus daaronder zijn mogelijk wel intact
gebleven.
De nieuwbouw zal een verstoring geven die dieper zal zijn dan 50 cm-mv en daarmee de top van het
dekzand en de bovenliggende sedimenten en de bouwvoor verstoren.
Op grond van het uitgevoerde booronderzoek kunnen de vragen uit het Plan van Aanpak als volgt
worden beantwoord:
Wat is de bodemopbouw en de intactheid van het bodemprofiel binnen het plangebied?
De natuurlijke ondergrond bestaat oorspronkelijk uit een gordeldekzandwelving met een
(laar)podzolbodem. In het plangebied is echter maar in één boring een intacte podzol aangetroffen. In
de overige boringen is sprake van een bodemverstoring tot in de top van de C-horizont op minimaal 60
cm-mv. De kans dat in het plangebied nog intacte archeologische vindplaatsen aanwezig zijn kan op
basis van het veldonderzoek en de verstoring door de reeds aanwezige bebouwing worden bijgesteld
naar laag.
Kunnen er archeologische vindplaatsen in het onderzoeksgebied aanwezig zijn en zo ja welke en waar
(welke diepte) en in welke vorm?
Daar waar nog een intacte bodem aanwezig is wordt deze aangetroffen vanaf 45 cm-mv (B-horizont).
De top van het dekzand kan vanaf 55 cm-mv worden aangetroffen. De B-horizont en de top van de Chorizont
zijn de niveaus waarop eventuele archeologische vindplaatsen aangetroffen kunnen worden in
het plangebied. Echter, op basis van het veldonderzoek blijkt dat de bodemopbouw in het overgrote
deel van het plangebied verstoord is tot minimaal 60 cm-mv en daarmee tot in de top van de Chorizont.
De kans dat er nog onverstoorde archeologische vindplaatsen aanwezig zijn in het
plangebied wordt dan ook als nihil bestempeld.
Is aanvullend veldonderzoek door middel van karterende boringen en/of proefsleuvenonderzoek
noodzakelijk?
Op grond van de bovenstaande argumentatie achten wij vervolgonderzoek door middel van karterende
boringen of proefsleuven weinig zinvol. De kans dat met de voorgenomen bodemingrepen
archeologische vindplaatsen verloren zullen gaan is gering. Doordat de top van de C-horizont
verstoord is, vermoedelijk als gevolg van de aanleg van de stoeterij met bijgebouwen en de stapmolen,
is het potentiële spoor- en vondstniveau sterk aangetast. Uitsluitend zeer diepe sporen zoals greppels
en waterputten kunnen nog in de diepere ondergrond bewaard zijn gebleven.
Selectieadvies
Hamaland Advies adviseert om het plangebied vrij te geven voor ontwikkeling. De reden hiervoor is dat
er geen aanwijzingen aangetroffen zijn die de aanwezigheid van vindplaatsen rechtvaardigen, zoals de
aanwezigheid intacte bodems of oude cultuurlagen. Het intacte boorprofiel is in het centrum van het
plangebied aangetroffen, alle andere boringen laten een verstoord bodemprofiel zien tot in de top van
het aanwezige dekzand. Indien vindplaatsen aanwezig waren, zijn deze verstoord geraakt dan wel
verloren gegaan als gevolg van de bodemingrepen die reeds gepleegd zijn bij de bouw van de
stoeterij.
Voorbehoud
Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Met nadruk wijst Hamaland Advies erop dat
dit selectieadvies nog niet betekent dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende
activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen moeten worden
beoordeeld door de bevoegde overheid (Gemeente Eemnes) en haar adviseur, dhr. B. Voormolen, die
vervolgens een besluit nemen of vervolgonderzoek noodzakelijk is of niet. Het selectiebesluit van het
bevoegd gezag kan daarbij afwijken van het selectieadvies van Hamaland Advies.
Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke
inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan
wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden te verkleinen.
Verder dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht
(ex artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet) kenbaar te worden gemaakt, om het documenteren van
toevalsvondsten te garanderen: ‘Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt
waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of
onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister’. Deze aangifte dient te gebeuren
bij de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Eemnes.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2026-04-20



