Archeologisch bureauonderzoek en Verkennend booronderzoek
收藏DANS Data Station Archaeology2012-12-17 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-Z53-XHQN
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>In februari 2012 is een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd naar de - mogelijke - aanwezigheid en verwachte relatieve kwaliteit van archeologische waarden op het terrein aan de Heistraat 9 in Velp (gemeente Grave, provincie Noord-Brabant). Aanleiding voor het onderzoek is de geplande nieuwbouw van een rundveestal in het gebied. Het plangebied heeft een omvang van circa 5.000 m2. Conform het beleid van de gemeente Grave dient er in dit gebied bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm onder maaiveld (-mv) archeologisch vooronderzoek te worden uitgevoerd. Om de archeologische waarde van het plangebied te kunnen bepalen is een archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van verkennende boringen uitgevoerd. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, de kans wordt bepaald dat binnen het plangebied archeologische resten voorkomen. Het doel van het verkennend booronderzoek is het toetsen en waar mogelijk aanvullen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door middel van veldwaarnemingen. Het plangebied ligt op de grens van de Peelhorst en het Maasdal, in een zone met Jong Dekzand. Het onderzoeksgebied werd al vanaf het Laat-Paleolithicum B (18.000 – 8.800 voor Chr.) bewoond door mobiele groepen jagers-verzamelaars en, vanaf het Neolithicum (5.200 – 2.000 voor Chr.) ook door meer sedentaire boerengemeenschappen. Vanaf de Middeleeuwen (450 – 1500 na Chr.) starten de eerste grootschalige ontginningen in het gebied. Grote delen van de Peelhorst bleven echter woest, zoals ook van een kaart van het bodemgebruik rond 1840 valt af te lezen . Volgens de toelichting op de bodemkaart (Stiboka 1976) zijn deze gebieden pas rond de eeuwwisseling ontgonnen. De jonge ontginningsgebieden, zoals die waar het plangebied in ligt, liggen vooral op de leemarme en zwak lemige Jongere dekzanden met veldpodzolgronden. Volgens de door de gemeente Grave vastgestelde archeologische waardenkaart ligt het plangebied in een zone met een middelhoge verwachting. In het plangebied worden archeologische waarden verwacht die vanaf het LaatPaleolithicum B (18.000 – 8.800 voor Chr.) tot en met de Vroege Middeleeuwen (450 – 1050 na Chr.) dateren. Om de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek te toetsen, zijn in het kader van het verkennend booronderzoek binnen het plangebied in totaal zes boringen gezet tot een diepte van maximaal 100 cm -mv, dat wil zeggen tot in de C-horizont van het Jong Dekzand. Uit de boringen blijkt dat de bodem in het plangebied grotendeels tot in de C-horizont van het ondergelegen Jonger Dekzand is verstoord (tot op een diepte van ten minste 70 cm –mv). In de top van het dekzand zijn nog sporen teruggevonden van een podzolbodem (veldpodzol), in de vorm van een restant B-horizont. Dit is slechts in twee boringen het geval. In de andere boringen is de podzolbodem duidelijk vergraven en vaak opgenomen in de onderkant van de bouwvoor. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.</p>
提供机构:
Transect
创建时间:
2012-12-18



