Transect-rapport 2064: Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, IVO Verkennende Fase. Heukelom, Heukelomseweg 26, Gemeente Oisterwijk (NB)
收藏DANS Data Station Archaeology2019-07-17 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-28D-T8KC
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>In februari 2019 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Heukelomseweg 26 in Heukelom (gemeente Oisterwijk). De aanleiding voor het onderzoek vormt de wijziging van het bestemmingsplan om een groter bouwblok te realiseren ten behoeve van de uitbreiding van het bestaande tuincentrum. <br>In het plangebied geldt in het bestemmingsplan ‘Buitengebied geconsolideerd’ (2017) een dubbelbestemming Waarde Archeologie 4. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2500 m2 en dieper dan 50 cm -Mv. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen bodemingrepen (uitbreiding winkelpand met circa 4000 m2) in het kader van de vergunningsaanvraag, archeologisch vooronderzoek nodig is.</p><p>Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase.<br>Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. </p><p>Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O).</p><p>• Op basis van het bureauonderzoek is er een middelhoge verwachting opgesteld voor de periodes Paleolithicum tot de Late Middeleeuwen. Het plangebied is namelijk gelegen op een dekzandrug, archeologisch gezien betekent de ligging van het plangebied op een relatief hoger deel dat het vanaf de vorming van het landschap verkozen zou kunnen worden voor bewoning doordat de omstandigheden minder nat waren. Daarnaast is de bodem van het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgrond. Deze bodem is ontstaan door het bemesten van armere zandgronden met zoden, mest en huisafval, waardoor een plaggendek of oud bouwlanddek is ontstaan. Onder het bouwlanddek kunnen zich restanten bevinden van de oorspronkelijke (zand)bodem met daarin archeologische resten die dateren uit de periode voor de ophoging. Er is een lage verwachting op resten uit de Nieuwe tijd. Op basis van historisch kaartmateriaal kan worden vastgesteld dat het plangebied onbewoond/onbebouwd is geweest in deze periode. Enkel sporen van landgebruik kunnen worden verwacht.<br>• Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat het plangebied waarschijnlijk in een lager deel van het dekzandlandschap gelegen heeft. Er zijn namelijk uitsluitend verspoelde dekzandafzettingen gevonden, die kenmerkend zijn voor de oorspronkelijk wat lager gelegen gebieden in het oude dekzandlandschap. Ook kenmerkt het gebied zich door het voorkomen van veel roestvlekken en -concreties, hetgeen een indicatie vormt voor de aanwezigheid van uittredend en stagnerend bodemwater. Het plangebied moet oorspronkelijk ook relatief nat zijn geweest. De top van het dekzand is als gevolg van verploeging niet meer intact aanwezig. In de top van het dekzand bevindt zich namelijk een zogenaamde menglaag, die waarschijnlijk ontstaan is als gevolg van (diep)woelen. Sporen van oude bodemvorming (als gevolg van podzolering) ontbreken. In combinatie met het ontbreken van archeologische indicatoren uit de boringen wordt hierom voorgesteld de hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek naar beneden bij te stellen (laag).</p>
提供机构:
Transect
创建时间:
2019-07-18



