five

GEmeente Cranendonck en gemeente Heeze-Leende. Plangebied De Oude Strijper Aa te Gastel

收藏
Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-z7h-cvvq
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
BAAC bv heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied de Oude Strijper Aa in de gemeente Cranendonck en Heeze-Leende. Aanleiding voor het onderzoek is het plan om de genormaliseerde en gekanaliseerde beek te herstellen, natuurvriendelijke oevers aan te leggen, een enkel ven te herstellen en de bodem in het kader van natuurherstel te verschralen. Hierbij zal de bodem tot enkele decimeters worden afgegraven, waarbij een gerede kans bestaat dat eventueel aanwezige archeologische waarden verstoord of vernietigd worden.Deelgebied 1In deelgebied 1 kunnen afgedekte vuursteenvindplaatsen in de Laag van Usselo voorkomen. De Laag van Usselo is bij een archeologisch booronderzoek ten noordoosten van het deelgebied mogelijk aangetroffen. Gezien de ligging nabij de kern van het akkerdorp Leenderstrijp en de vondsten van aardewerk in de omgeving is in deelgebied 1 de verwachting op het aantreffen van resten uit de middeleeuwen in het meest westelijke deel hoog en meest oostelijke deel middelhoog. Hier tussenin ligt een laaggelegen broekbos (Dollingerputten), waarvan de verwachting laag is op het aantreffen van archeologische resten uit de periode vóór de late middeleeuwen. Dit gebied is echter benut voor turfwinning. Hiervan zijn mogelijk nog relicten aanwezig. Ook de verwachting op het aantreffen van resten langs de huidige en voormalige loop van de Strijper Aa wordt als laag ingeschat. Vanwege vernatting van het landschap in het Atlanticum kon in beekdalen veen gaan groeien en waren deze ongeschikt voor landbouw/bewoning. Sporen van nederzettingsterreinen uit het neolithicum tot in de nieuwe tijd worden in deelgebied 1 niet verwacht. In de beekloop kunnen wel off-site zaken als rituele deposities, losse vondsten en water gerelateerde vondsten aangetroffen worden. Deze zijn echter, indien aanwezig, als gevolg van de bodemverbetering ten tijde van de ruilverkaveling verstoord. De verwachting op het aantreffen van resten uit de steentijd is laag tot middelhoog, omdat hier bodemverstoringen worden verwacht en de bodem vermoedelijk vroeg in het Atlanticum vernat is. De Dollingerputten zijn aangemerkt als cultuurhistorisch element. De diepteligging van de mogelijk aanwezige archeologische waarden kan variëren van vrijwel direct aan het maaiveld tot meerdere meters onder het maaiveld (als gevolg van dekzand, stuifzand, veen of antropogene ophoging). In het gebied met een middelhoge verwachting (circa 3,2 ha) wordt geadviseerd om bij graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm –mv een verkennend booronderzoek uit te voeren. Geadviseerd wordt om de boringen tot 2 meter beneden maaiveld door te zetten om de aan- of afwezigheid van de Laag van Usselo aan te tonen. In de zone met een hoge archeologische verwachting (circa 2 ha) wordt geadviseerd een karterend booronderzoek uit te voeren om de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de mogelijke aanwezige archeologische waarden te bepalen. Deelgebied 2Vanwege het feit dat de bodem ter plaatse van dit terrein gedurende de ontginning tot 50 cm is afgegraven, is aan het gehele deelgebied 2 een lage verwachting toegekend. In dit deelgebied worden derhalve geen archeologische vindplaatsen verwacht. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Deelgebied 3Op basis van onderhavig onderzoek is aan het gehele deelgebied 3 een lage tot middelhoge verwachting toegekend op het aantreffen van archeologische resten uit alle perioden. Om na te gaan of het gebied daadwerkelijk een laagte betreft, of dat het mogelijk toch onderdeel uit maakt van een dekzandwelving, wordt voor het gehele deelgebied 3 (7,2 ha) geadviseerd een booronderzoek uit te voeren. Gezien de vragen die bestaan over de intactheid en aard van de bodem is een verkennend booronderzoek (6 boringen per hectare) in een regelmatig verspringend grid van 40 bij 50 m met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm hiervoor de meest geschikte methode.Deelgebied 4Op basis van onderhavig onderzoek is geconcludeerd dat deelgebied 4 geen onderdeel uitmaakt van een dekzandwelving, maar van een laag gelegen en derhalve nat terrein. De kans op het voorkomen van nederzettingsresten wordt voor alle perioden laag geacht. Deelgebied 4 heeft echter wel een hoge verwachting toegekend gekregen op het voorkomen van natte context archeologie. Vanwege het gebruik van het ven als visvijver gedurende de middeleeuwen, wordt de verwachting op het aantreffen van aan visvangst gerelateerde vondsten uit de middeleeuwen als hoog ingeschat. Om na te gaan of het gebied daadwerkelijk een laagte betreft, of dat het mogelijk toch onderdeel uit maakt van een dekzandwelving, wordt voor het gehele deelgebied 4 (5 ha) geadviseerd een booronderzoek uit te voeren. Gezien de vragen die bestaan over de intactheid en aard van de bodem is een verkennend booronderzoek (6 boringen per hectare) in een regelmatig verspringend grid van 40 bij 50 m met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm hiervoor de meest geschikte methode.Deelgebied 5Gezien de bekende vindplaatsen uit laat-paleolithicum en mesolithicum in de directe omgeving van deelgebied 5 wordt een hoge verwachting op het aantreffen van resten uit deze periode toegekend. Dit geldt voor het hele gebied in en rondom het voormalige ven ‘De Weijers’. Deze verwachting geldt met name voor vondststrooïngen van vuurstenen artefacten, houtskoolpartikels of vondstconcentraties behorende tot tijdelijke kampementen van jager/verzamelaars. Resten uit het neolithicum en later worden niet verwacht, met uitzondering van aan visvangst gerelateerde vondsten uit de middeleeuwen ter plaatse van het voormalige ven. Dit vanwege het gebruik van het ven als visvijver gedurende de middeleeuwen. Alvorens de werkzaamheden ter plaatse van deelgebied 5 (15,3 ha) kunnen plaatsvinden, dient een verkennend booronderzoek uitgevoerd te worden. Middels deze verkennende boringen kan de bodemopbouw, inclusief de intactheid ervan, goed in kaart worden gebracht, waarmee kan worden achterhaald of langs het ven kampementen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum bewaard kunnen zijn gebleven. Indien blijkt dat de bodem rond het ven intact is en er daadwerkelijk nog sprake is van een ven in de (ondiepe) ondergrond, dan wordt geadviseerd om dwars over het voormalige ven twee aanvullende kruisraaien te plaatsen, waarbij om de 20 m een boring wordt gezet tot in de Pleistocene ondergrond. Indien venige of sterk humeuze lagen worden aangetroffen kunnen hiervan monsters worden genomen voor pollenanalyse en/of 14C datering. Hiermee kan informatie worden verschaft over de datering en ontstaanswijze van het ven, het omringende landschap en de relatie van het ven met eventuele vindplaatsen. Deelgebied 6Gezien de bekende vindplaatsen uit laat-paleolithicum en mesolithicum in de directe omgeving van deelgebied 6 wordt aan het deelgebied een hoge verwachting op het aantreffen van resten uit deze periode toegekend. Deze verwachting geldt met name voor vondststrooïngen van vuurstenen artefacten, houtskoolpartikels of vondstconcentraties behorende tot tijdelijke kampementen van jager/verzamelaars. Resten uit het neolithicum en later worden niet verwacht, met uitzondering van aan visvangst gerelateerde vondsten uit de middeleeuwen ter plaatse van het voormalige ven. Dit vanwege het gebruik van het ven als visvijver gedurende de middeleeuwen. Alvorens de werkzaamheden ter plaatse van deelgebied 6 (4,7 ha) kunnen plaatsvinden, wordt geadviseerd een verkennend booronderzoek uit te laten voeren. Middels deze verkennende boringen kan de bodemopbouw, inclusief de intactheid ervan, goed in kaart worden gebracht, waarmee kan worden achterhaald of binnen het plangebied nog resten van kampementen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum bewaard kunnen zijn gebleven. Gezien de vragen die bestaan over de intactheid en aard van de bodem is een verkennend booronderzoek (6 boringen per hectare) in een regelmatig verspringend grid van 40 bij 50 m met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm hiervoor de meest geschikte methode.

BAAC bv 为克兰农当克(Cranendonck)与赫泽-莱恩(Heeze-Leende)两市的规划区域“旧施特里珀河(de Oude Strijper Aa)”开展了考古桌面调查。本次调查的动因是计划对该渠化加固的河道实施修复工程,包括建设自然友好型河岸、修复一处泥炭沼(ven),以及基于自然修复目标对土壤进行贫瘠化处理。在此过程中,土壤将被开挖至数十厘米深度,存在一定概率破坏或损毁潜在的考古遗存。 区域1 区域1内,乌塞洛层(Laag van Usselo)中可能存在埋藏的燧石遗存点。此前在区域1东北部开展的考古钻探调查中,疑似发现了乌塞洛层。鉴于该区域毗邻莱恩德施特里珀村(Leenderstrijp)核心,且周边有陶器出土记录,区域1最西部出土中世纪遗存的概率为高,最东部为中。区域中部坐落着一处低海拔湿地林——多林根水塘(Dollingerputten),该区域出土晚中世纪以前考古遗存的概率为低。不过该区域曾被用于泥炭开采,目前或仍留有相关遗迹。此外,沿当前及历史河道施特里珀河分布的遗存,其出土概率也被评定为低。由于大西洋期(Atlanticum)区域景观湿润,河谷地带形成了泥炭,不适宜农业耕作与居住,因此区域1中不会存在新石器时代至近现代的定居遗址遗存。不过河道内可能存在遗址外(off-site)遗存,如仪式性埋藏、零散遗物及出水相关遗物,但此类遗存大概率因土地重划(ruilverkaveling)时期的土壤改良工程遭到破坏。该区域出土旧石器时代遗存的概率为低至中,原因是该区域存在土壤扰动,且土壤大概率在大西洋早期即已湿润。多林根水塘被列为文化历史保护要素。潜在考古遗存的埋藏深度差异较大,可从接近地表至地表下数米不等(受覆盖砂(dekzand)、风积砂(stuifzand)、泥炭或人为填土影响)。对于概率为中的区域(约3.2公顷),建议开展深度超过50厘米的开挖作业前,先进行勘探钻探,钻孔需穿透至地表下2米以确认乌塞洛层是否存在。对于概率为高的考古敏感区域(约2公顷),建议开展钻探式勘探,以明确潜在考古遗存的有无、性质、规模、年代、完整性、保存状况及内在质量。 区域2 区域2的土壤在开垦过程中已被开挖至50厘米深度,因此整个区域2的考古遗存出土概率被评定为低,预计不会发现任何考古遗存,无需开展后续调查。 区域3 基于本次调查,区域3全域出土各时期考古遗存的概率为低至中。为确认该区域是否确为低地,还是可能属于砂质冰碛隆起带,建议对区域3(7.2公顷)开展钻探调查。鉴于目前对土壤完整性与性质存在疑问,采用每公顷6个钻孔、间距40×50米的规则跳点网格,使用直径7厘米的埃德尔曼钻机(Edelmanboor)开展勘探钻探,为最优方案。 区域4 基于本次调查,可确认区域4不属于砂质冰碛隆起带,而是一处低海拔湿润区域。各时期定居遗址遗存的出土概率被评定为低。不过区域4出土湿地遗存的概率为高。由于中世纪时期该泥炭沼塘曾被用作鱼塘,因此出土中世纪捕鱼相关遗物的概率被评定为高。为确认该区域是否确为低地,还是可能属于砂质冰碛隆起带,建议对区域4(5公顷)开展钻探调查。鉴于目前对土壤完整性与性质存在疑问,采用每公顷6个钻孔、间距40×50米的规则跳点网格,使用直径7厘米的埃德尔曼钻机开展勘探钻探,为最优方案。 区域5 鉴于区域5周边已知存在旧石器时代晚期及中石器时代的考古遗存点,因此该区域出土对应时期遗存的概率为高,覆盖原“德韦耶尔斯(De Weijers)”泥炭沼塘全域及周边区域。该概率主要针对燧石制品散布区、木炭颗粒或狩猎采集者临时营地相关的遗物聚集区。新石器时代及之后的遗存一般不会出现,但原泥炭沼塘区域可能出土中世纪捕鱼相关遗物,原因是中世纪时期该区域曾被用作鱼塘。在区域5(15.3公顷)开展作业前,需先完成勘探钻探。通过此类钻孔可清晰绘制土壤剖面及其完整性,以此判断原泥炭沼塘周边是否仍保留有旧石器时代晚期及中石器时代的营地遗存。若钻探发现塘土或强腐殖质土层,可采集样本开展孢粉分析及/或碳十四测年,以获取该泥炭沼塘的年代与成因、周边景观及与潜在遗存的关联等相关信息。 区域6 鉴于区域6周边已知存在旧石器时代晚期及中石器时代的考古遗存点,因此该区域出土对应时期遗存的概率为高。该概率主要针对燧石制品散布区、木炭颗粒或狩猎采集者临时营地相关的遗物聚集区。新石器时代及之后的遗存一般不会出现,但原泥炭沼塘区域可能出土中世纪捕鱼相关遗物,原因是中世纪时期该区域曾被用作鱼塘。在区域6(4.7公顷)开展作业前,建议开展勘探钻探。通过此类钻孔可清晰绘制土壤剖面及其完整性,以此判断规划区域内是否仍保留有旧石器时代晚期及中石器时代的营地遗存。鉴于目前对土壤完整性与性质存在疑问,采用每公顷6个钻孔、间距40×50米的规则跳点网格,使用直径7厘米的埃德尔曼钻机开展勘探钻探,为最优方案。
创建时间:
2024-01-31
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务