Transect-rapport 1361: Den Burg, Marsweg en Kadijksweg Gemeente Texel (NH)
收藏DANS Data Station Archaeology2018-02-07 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-ZWM-6CMQ
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>Van 29 mei tot en met 2 juni 2017 is een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Marsweg en Kadijksweg in Den Burg (gemeente Texel).</p><p>Resultaten<br>Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in totaal 47 sporen en 563 vondsten aangetroffen. De meeste sporen zijn greppels en sloten. Een aantal greppels en sloten is hergebruikt voor de aanleg van moderne drainage. Andere sporen die zijn aangetroffen, betreffen twee paalsporen, een vermoedelijke ‘dobbe’ en natuurlijke en recente verstoringen. Op basis van historisch kaartmateriaal vanaf 1850 (www.topotijdreis.nl) is geconcludeerd dat een aantal sporen te relateren is aan de sloten die door het plangebied lopen. De diepte van de gecoupeerde sloten varieert tussen de 13 en 120 cm. Greppels zijn, met uitzondering van spoor 15 en 16, niet terug te vinden op historisch kaartmateriaal. In negen greppels is veel keramiek en ander afvalmateriaal aangetroffen. Waarschijnlijk zijn deze greppels met dorpsafval uit de omgeving of Amsterdams stadsafval gedempt. De diepte van de greppels varieert tussen de 11 en 96 cm. De twee paalsporen bevinden zich in verschillende werkputten en behoren op basis van het proefsleuvenonderzoek niet tot een gebouwstructuur. Ook werden er geen vondsten in de paalsporen aangetroffen, waardoor ze niet te dateren zijn. Verder is vermoedelijk een ‘dobbe’ gevonden (een drinkkuil voor dieren), zoals die vaker op Texel voorkomen. Overige sporen betreffen natuurlijke en recente verstoringen.<br>De vondsten zijn voornamelijk aangetroffen tijdens de aanleg van de werkputten en in negen greppels en een sloot. Het vondstmateriaal is verdeeld in verschillende categorieën, namelijk keramiek, bouwmateriaal, metaal, glas, leisteen, vuursteen, natuursteen, pijp, plastic, verbrand bot, dierlijk onverbrand bot en slakmateriaal. Het keramiek bestaat uit veel verschillende soorten baksels, namelijk roodbakkend aardewerk, witbakkend aardewerk, steengoed, majolica, faience, Europees porselein, industrieel wit aardewerk, Weser-aardewerk en Frans- en Italiaans tinglazuur aardewerk. De scherven zijn afkomstig van een reeks uiteenlopende gebruiksvoorwerpen, waaronder grapes, borden, kannen, (thee-)potten, lekschalen, olielampen, vuurtesten, vergieten, koppen en een vuurstolp. Het keramiek is afkomstig uit allerlei productiecentra in Europa, waaronder Friesland, Gouda, Brabant, Westerwald, Raeren, Langerwehe, Harlingen en Delft.</p><p>Binnen het plangebied zijn twee landschappelijke zones onderscheidden. Globaal gezien bevinden zich kreekafzettingen bovenop de natuurlijke ondergrond van lichtgrijs, lemig fijn dekzand in het noordelijk deel van het plangebied. De kreekafzettingen zijn opgebouwd uit één of meerdere lagen. Onder de kreekafzettingen is podzolering van de bodem waargenomen, waarin een AE-/B-/BC- en/of C-horizont zijn gevormd. De kreekafzettingen zijn aan een kreekgeul van na de Romeinse tijd te koppelen. De kreekgeul is tevens te zien op de AHN. Aan de hand van de diktes van het pakket kreekafzettingen is afgeleid dat de geul richting het zuiden toe ondieper wordt. Het zuidelijk deel van het plangebied bevat een bouwvoor met daaronder een akkerdek op de natuurlijke ondergrond. Ook hier is podzolering van de bodem opgetreden met een E-/B-/BC- en/of C-horizont. Op basis van de spoordatering is duidelijk geworden dat het akkerdek van na 1949 stamt.</p><p>De bodemopbouw die is vastgesteld tijdens het vooronderzoek, is grotendeels bevestigd door het proefsleuvenonderzoek. De bestudeerde profielen uit het proefsleuvenonderzoek geven daarnaast meer inzicht in de bodemopbouw, onder andere met betrekking tot de mate van intactheid van de podzolering en de gelaagdheid van de kreekafzettingen.<br>Al met al zijn er enkel sporen en vondsten uit de Nieuwe tijd aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek. De archeologische verwachting uit het vooronderzoek (Sprangers et al. 2016) wordt dan ook niet bevestigd voor de perioden Laat-Paleolithicum - Late-Middeleeuwen. Een verklaring hiervoor kan zijn dat het plangebied aanmerkelijk lager ligt dan het aangrenzende hoge dekzandlandschap en was in het Holoceen hoofdzakelijk moeras, vandaar ook het toponiem ‘Mars’ (Marsweg), dat ‘moeras’ betekent.</p>
提供机构:
Transect
创建时间:
2018-02-08



