De beek die geeft en de beek die neemt
收藏Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-z5x-3cfz
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
In opdracht van Bouwontwikkeling Zuid heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in de winter van 2014-2015 een archeologische begeleiding protocol opgraving uitgevoerd in het centrum van de gemeente Sittard-Geleen. Een grootschalige ontgraving was nodig in verband met de ontwikkeling van het project Ligne, een multifunctioneel gebouw (wonen, werken, recreatie) met parkeerkelder, direct ten westen van het historische centrum van Sittard. De parkeergarage en daarmee de archeologische begeleiding beslaat een oppervlakte van circa 110 x 80 m.Uit vooronderzoek op de locatie Ligne is naar voren gekomen dat het onderzoeksgebied, dat in het dal van de Geleenbeek ligt, bijzondere archeologische resten vanaf de Steentijd tot de Nieuwe tijd zou kunnen herbergen. Op basis daarvan is een Programma van Eisen (PvE) opgesteld, waarin de doel- en vraagstellingen van het onderzoek staan omschreven. In een Plan van Aanpak (PvA) is door RAAP vervolgens uitgewerkt hoe het project zou worden uitgevoerd, hetgeen op kleine praktische aanpassingen na ook zo is gebeurd.De uitvoering van de begeleiding is op 11 november 2014 begonnen met de aanleg van drie grote proefsleuven over de breedte van de noord-zuid georiënteerde parkeerkelder, ofwel dwars op het dal van de Geleenbeek. Met behulp van de drie profielen uit deze sleuven is bepaald op welke diepte de verschillende (vijf) vlakken tijdens de ontgraving aangelegd moesten worden. De verdere ontgraving van de parkeerkelder is vervolgens tussen november 2014 en februari 2015 met een team van vier tot vijf man en de inzet van één tot drie kranen archeologisch begeleid, met ondersteuning van vrijwilligers uit Sittard. Op 18 januari 2015, ongeveer halverwege het onderzoek, vond onder grote publieke belangstelling een open dag plaats, die bezocht werd door zo’n 200 mensen.De drie grote profielen van de proefsleuven zijn uitgebreid onderzocht, gedocumenteerd en bemonsterd ten behoeve van het fysisch geografisch onderzoek, dat de rode draad van het archeologische onderzoek vormde. Mede met behulp van divers specialistisch onderzoek heeft het fysisch geografisch onderzoek een redelijk gedetailleerde reconstructie van de landschappelijke genese opgeleverd. Hieruit is gebleken dat het gebied zowel rustige als ook zeer turbulente fasen heeft gekend, die als volgt kunnen worden samengevat.Als op de overgang van de laatste ijstijd naar het Vroeg Holoceen (circa 9000 voor Chr.) het klimaat opwarmt, worden door de Geleenbeek bovenop de grove afzettingen uit het Laat Glaciaal (het Maasterras) fijne zanden en lemen afgezet, die de zogenaamde oude daluitspoelingswaaier vormen. Hierin ontwikkelt zich gedurende het Mesolithicum (8800-4900 voor Chr.) een rustige meanderende fase van de Geleenbeek, een bodem van een broekbos, die ook al eerder tijdens het vooronderzoek en het onderzoek aan de nabij gelegen Oda-parking is aangetroffen. Vanaf kort vóór het Vroeg Neolithicum (vóór 5100 voor Chr.) en tot in het Midden Neolithicum (tot circa4000 voor Chr.) vindt een hevige re-activatie van de beek plaats, waarbij de beek zich insnijdt en lateraal verplaatst en daarbij zandige afzettingen achterlaat. Vanaf het Midden Neolithicum neemt deze hevige fase van de beek weer af en wordt afgespoelde/geërodeerde löss vanuit het achterland afgezet. Tussen het Laat Neolithicum en de Midden Bronstijd (tussen 2850 en 1100 voor Chr.) migreert de beek dan naar het oosten buiten het onderzoeksgebied, maar wordt het gebied tot in de Middeleeuwen nog wel regelmatig overstroomd. Pas vanaf de 11e of vroege 12e eeuw is dit zo weinig dat het onderzoeksgebied voor het eerst wordt bewoond.Tijdens de ontgraving zijn alleen in de bovenste twee vlakken (resp. op circa 1,20 en circa 1,50 m -Mv) antropogene grondsporen aangetroffen. Het gaat daarbij om verschillende sporen uit de Volle en Late Middeleeuwen én de Nieuwe tijd. De sporen uit de Volle Middeleeuwen bestaan uit de resten van minstens één erf (een huisplattegrond, een waterput en een mogelijk bijgebouw) en meerdere clusters met paalsporen en/of kuilen. De resten uit de Late Middeleeuwen bestaan uit enkele kuilen en perceelsgreppels en wijzen er op dat vanaf de vroege 14e eeuw waarschijnlijk geen bewoning meer aanwezig is. Verrassend genoeg werden ook enkele vondsten uit de Vroege Middeleeuwen (21 aardewerkscherven) aangetroffen, maar deze kunnen niet aan bepaalde grondsporen uit die periode gerelateerd worden. Het vondstmateriaal uit de Volle tot Late Middeleeuwen bestaat niet alleen uit aardewerk, maar ook uit vondsten van glas, metaal, hout, leer, dierlijk bot en botanische macroresten. Uit de Nieuwe tijd werd een grote leemafgraving van circa 88x44 m gevonden en verschillende veldbrandovens. Het vondstmateriaal uit de Nieuwe tijd bestaat uit aardewerk en vondsten van metaal en glas.In de dieper gelegen opgravingsvlakken 3, 4 en 5 werden soms nog resten van dieper reikende grondsporen aangetroffen (zoals de waterput en de leemwinningskuil), maar verder alleen diverse dagzomende, natuurlijke afzettingen. Deze natuurlijke afzettingen hebben, vooral op vlakken 4 en 5, veel archeologische vondsten uit het Mesolithicum, het Neolithicum en de Bronstijd opgeleverd, die wijzen op menselijke activiteiten in het gebied gedurende deze perioden. Opvallend afwezig gedurende het gehele onderzoek waren trouwens de IJzertijd en de Romeinse tijd, terwijl deze perioden tijdens het circa 100 m ten noordoosten van onderhavig plangebied gelegen Oda-parking wel zijn aangetroffen.De verschillende deelonderzoeken van vondsten en monsters hebben diverse en waardevolle informatie opgeleverd. In de eerste plaats hebben verschillende specialistische onderzoeken, zoals korrelgrootte analyses, micromorfologisch onderzoek, pollenonderzoek en OSL-analyses, belangrijke bijdrages geleverd om de landschappelijke genese te kunnen reconstrueren. Daarnaast hebben verschillende materiaal- en/of periodespecialisten het diverse vondstmateriaal gedetermineerd, zo mogelijk gedateerd en geïnterpreteerd. Het materiaalonderzoek van vondsten en monsters uit de Prehistorie had daarbij een ander karakter dan het onderzoek naar de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Voor deze laatste perioden richtten de deelonderzoeken zich vooral op de datering en functie van de sporen waaraan zij gerelateerd waren, een situatie die reeds van te voren enigszins duidelijk was. Dat gold niet voor de resten uit de Prehistorie, waarvan de context geheel in nevelen was gehuld. Het ging weliswaar om veel en goed geconserveerde vondsten, maar het was volstrekt onduidelijk met wat voor menselijke activiteiten zij gerelateerd konden worden. Met betrekking tot de Prehistorie zijn aardewerk, vuursteen, natuursteen, dierlijk bot en een pollenmonster onderzocht. Het prehistorische aardewerk leverde interessante ensembles op uit vooral de Lineaire Bandkeramiek (LBK; 5100-4900 voor Chr.), maar ook de Michelsberg-cultuur (MK; 4200-3400 voor Chr.) en in veel mindere mate uit de Bronstijd (2000-800 voor Chr.). Met uitzondering van het aardewerk uit de Bronstijd is duidelijk dat het wel om nederzettingsafval gaat, maar niet in een samenstelling zoals deze in nederzettingen wordt aangetroffen. De aardewerkscherven waren niet alleen goed geconserveerd, maar bleken binnen concentraties (afzonderlijke vondstnummers) ook in grote mate aan elkaar te passen (met bijvoorbeeld meerdere volledige potprofielen) en meestal uit één periode te dateren. Hieruit kan worden opgemaakt dat het materiaal vlak langs de beek in situ moet hebben gelegen alvorens het in de beek terechtkwam. Samen met de reconstructie van de hevige re-activatiefase van de beek, waarbij insnijding snel door sedimentatie werd opgevolgd, wordt duidelijk dat het materiaal meestal ook weer snel is afgedekt en deponeringen zo veelal bij elkaar zijn gebleven.Het onderzoek aan vuurstenen artefacten kan een dergelijk goede conservering (en een eventueel behouden depot) niet aantonen, omdat het lithische materiaal zich daarvoor minder leent en ook geen duidelijke concentraties zijn aangetroffen. Het onderzoek heeft wel geleid tot enkele eenduidige dateringen van artefacten uit het Mesolithicum (8800-4900 voor Chr.), het Vroeg Neolithicum (5100- 4900) en het Midden Neolithicum (4200-2900 voor Chr.), maar aangezien het meeste materiaal alleen ruimer gedateerd kan worden, kunnen geen concentraties of clusters uit dezelfde periode worden aangetoond. Wat wel duidelijk is geworden, is dat ook het vuursteen materiaal niet overeenkomt met een ensemble dat normaal gesproken binnen een nederzetting wordt gevonden.De prehistorische natuurstenen artefacten lijken vooral uit de Bandkeramische periode te dateren.Behoudens een dissel zijn vooral fragmenten van maalstenen gevonden, waarvan er drie ook resten van oker op het maalvlak vertonen. In tegenstelling tot voorbeelden uit de literatuur, waarbij oker ook op de breukvlakken was gesmeerd en uitgegaan wordt van een ritueel breken en deponeren, bezaten de exemplaren van Ligne geen oker op de breukvlakken. Het goed geconserveerde bot van Sittard Ligne dateert waarschijnlijk grotendeels uit de LBK-periode en bevatte oeros, edelhert, everzwijn, rund en varken. Harde conclusies op basis van de circa veertig resten en onzekere dateringen (mesolithisch tot midden-neolithisch) zijn echter niet mogelijk.Duidelijk is wel dat sprake was van een tweeledige voedseleconomie, gebaseerd op veeteelt en jacht. Bijzonder was ook de vondst van een zogenaamde T-bijl van gewei.Het weinige pollenmateriaal uit de Prehistorie dateert uit een periode net vóór de komst van de eerste landbouwers: tussen 7000 en 5000 voor Chr. Gedurende die tijd bestond een (helling)bos dat gedomineerd werd door linde. Het bos was relatief open gezien de aanwezigheid van klimop, hop en grassen en nabij de beekloop kwamen broekbossen met els en wilg voor. Waarschijnlijk werd het broekbos langs de oever afgewisseld met lagere kruidrijke vegetatie met onder andere lisdodde en moerasspirea.Met betrekking tot de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd zijn aardewerk, glas, metaal, natuursteen, dierlijk bot, leer en botanische macroresten onderzocht. Het onderzoek naar het middeleeuwseaardewerk heeft duidelijke dateringen opgeleverd, waaruit blijkt dat het zwaartepunt van de bewoning in de Volle Middeleeuwen lag. Verrassend waren enkele scherven uit de Vroege Middeleeuwen die echter niet aan sporen gerelateerd kunnen worden. Aardewerk uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd is respectievelijk waarschijnlijk alleen via bemesting en als stadsafval in het gebied terechtgekomen. Het ensemble uit de Volle Middeleeuwen, de grootste groep binnen het middeleeuwse aardewerk, valt op door een erg groot aandeel van Zuid-Limburgs aardewerk, dat afkomstig is van pottenbakkersovens uit het dichtbij gelegen Schinveld en Brunssum. In tegenstelling tot noordelijker gelegen vindplaatsen uit deze periode is nauwelijks aardewerk uit de productiecentra van zogenaamde Elmpter waar aanwezig. Het intermezzo over de beschildering van dit aardewerk schetst ons een interessant beeld van algemeen gedachtengoed in de middeleeuwse samenleving.De deelonderzoeken naar metaal en natuursteen betreffen veel minder vondsten. De natuurstenen artefacten hebben geen eigenlijk bijzondere werktuigen opgeleverd, terwijl de reconstrueerbare metaalvondsten slechts uit enkele gespbroches, een oor van een grape, enkele muntjes, loden kogels en een stuk van hoefijzer bestaan. Daarnaast zijn plaatjes en klinknagels gevonden, die wijzen op herstelwerkzaamheden van metalen vaatwerk en stukjes gesmolten brons en metaalslak die op onbepaalde metaalbewerking sluiten.Botanische en dierlijke resten uit de Volle Middeleeuwen wijzen op een typische voedseleconomie van een boerderij uit die tijd. De botanische monsters uit de waterput hebben resten van graan, vlas, slaapbol en biet opgeleverd en daarnaast onkruiden die op het bebouwen van graanakkers en hakvruchtakkers wijzen. Vervolgens zijn ook een redelijk groot aantal resten van soorten aangetroffen die indicatief zijn voor graslandvegetaties. Een monster uit een paalspoor ten slotte, bevatte een verkoold zaadje van druif en diverse verkoolde graankorrels. Het dierlijk bot bestaat bijna geheel uit gedomesticeerde zoogdieren, van jacht is geen sprake meer. De veestapel wordt gedomineerd door rund, gevolgd door varken. Paard, schaap/geit en hond waren wel aanwezig, maar in veel mindere mate.Het onderzoek sluit af met een uitgebreide synthese waarin verschillende deelonderzoeken met elkaar gerelateerd worden en de diverse gegevens tot een coherent verhaal gereconstrueerd worden. Het is een verhaal over een beekdal, over landschappelijke ontwikkelingen en menselijke activiteiten, vlakbij de beek: een beek die de mens veel kon geven, zoals water en een rijke fauna en flora, maar ook een beek die in bepaalde hevige perioden alles wegspoelde. Ter sprake komen ook de eventuele (nieuw)waarde van de resultaten en interpretaties ten opzichte van vergelijkbaar onderzoek uit Zuid-Limburg en vooral Sittard zelf. Na de synthese volgen ten slotte nog de conclusies en de beantwoording van de onderzoeksvragen.
本数据集源自荷兰建筑开发南部公司(Bouwontwikkeling Zuid)委托RAAP考古咨询事务所(RAAP Archeologisch Adviesbureau),于2014-2015年冬季在锡塔德-盖伦(Sittard-Geleen)市镇中心开展的考古发掘监理工作。因在锡塔德历史中心西侧开发多功能建筑项目"Ligne"(包含住宅、办公、休闲功能并附带地下停车场),需实施大规模开挖作业。该停车场及配套考古监理区域面积约110米×80米。
通过对"Ligne"场地的前期勘探可知,本次研究区域位于盖伦贝克河(Geleenbeek)河谷内,可能保存有从石器时代(Steentijd)至近代(Nieuwe tijd)的珍贵考古遗存。据此编制了研究要求说明书(Programma van Eisen, PvE),明确了本次考古研究的目标与课题;RAAP随后据此制定了实施计划书(Plan van Aanpak, PvA),并基本按计划完成了全部工作,仅做了少量实际调整。
本次监理工作于2014年11月11日启动,首先沿南北向地下停车场的宽度方向开挖3条大型探沟(proefsleuven),即垂直于盖伦贝克河谷走向布设。通过这3条探沟的剖面,确定了本次发掘中5个不同发掘层面的开挖深度。后续的地下停车场开挖工作于2014年11月至2015年2月间开展,由4至5人的考古团队负责监理,配合使用1至3台起重机,并得到锡塔德当地志愿者的支持。2015年1月18日,即本次研究进行至约一半进度时,举办了面向公众的开放日活动,吸引了约200名参观者。
对3条大型探沟剖面开展了全面的调查、记录与采样,用于开展自然地理研究——这也是本次考古研究的核心主线。结合多学科专业检测,自然地理研究已较为详细地重建了该区域的地貌演化过程,结果显示该区域经历过稳定与剧烈动荡的多个阶段,简要总结如下:
1. 气候与沉积阶段:在末次冰期向全新世早期过渡阶段(约公元前9000年),气候转暖,盖伦贝克河在末次冰期的粗粒沉积物(马斯阶沉积物,Maasterras)之上沉积了细砂与黏土层,形成了所谓的"古河谷冲积扇"。在中石器时代(公元前8800年-公元前4900年),盖伦贝克河在此区域形成了稳定的蜿蜒河道,同时发育了河漫滩森林土壤——这一现象在前期勘探及邻近的Oda停车场考古工作中均已被发现。
2. 河道活化阶段:自中石器时代早期之前(公元前5100年以前)至中石器时代晚期(约公元前4000年),该河道发生剧烈活化:河道下切并侧向迁移,遗留了砂质沉积物。从中石器时代晚期开始,河道的剧烈活动逐渐减弱,来自上游区域的风积黄土(löss)被冲刷、侵蚀并沉积下来。
3. 河道迁移与定居阶段:在新石器时代晚期至青铜时代中期(公元前2850年-公元前1100年),盖伦贝克河向东迁移出本次研究区域,但该区域在中世纪之前仍频繁遭受洪水侵袭。直至11世纪或12世纪早期,洪水泛滥程度大幅降低,该区域才首次出现人类定居活动。
本次发掘仅在最上方的两个发掘层面(分别对应现地面标高约1.20米和1.50米处,Mv)发现了人为活动遗迹。这些遗迹涵盖中世纪盛期(Volle Middeleeuwen)、中世纪晚期(Late Middeleeuwen)以及近代的多类遗存。
中世纪盛期的遗迹包括至少一处宅邸遗存(包含住宅基址、水井及疑似附属建筑),以及多组柱洞与坑穴遗存。中世纪晚期的遗存则为少量坑穴与地块界沟,表明自14世纪早期起,该区域已无人类定居活动。值得注意的是,本次发掘还发现了少量中世纪早期(Vroege Middeleeuwen)的遗存(21片陶片),但无法将其与该时期的人为活动遗迹相关联。
中世纪盛期至晚期的出土遗物不仅包含陶器,还有玻璃、金属、木材、皮革、动物骨骼及植物大遗存。近代时期的遗存则包括一处面积约88米×44米的大型黏土层开挖坑,以及多处田野烧灶。近代出土遗物以陶器、金属及玻璃制品为主。
在更深的第3、4、5发掘层面中,仅少量较深的人为活动遗迹(如水井、黏土层开采坑)被发现,其余均为自然沉积层。这些自然沉积层(尤其是第4、5层面)出土了大量中石器时代、新石器时代及青铜时代(Bronstijd)的考古遗物,证明该区域在上述时期存在人类活动。值得注意的是,整个发掘过程中均未发现铁器时代(IJzertijd)及罗马时期的遗存,而在本次规划区域东北约100米处的Oda停车场考古工作中,则发现了该时期的遗存。
本次发掘出土遗物与样品的各项分阶段研究,提供了丰富且极具价值的信息。首先,多项专业检测技术,如粒度分析、微形态研究、孢粉分析及光释光测年(OSL-analyses),为重建区域地貌演化提供了重要支撑。此外,多名材料学及断代专家对各类出土遗物进行了鉴定、断代与解读。
史前时期遗物与样品的研究思路,与中世纪及近代时期的研究有所不同:针对后两个时期,研究重点主要在于其关联的遗迹的断代与功能——这一研究方向在项目前期已有一定的预判。但史前时期的遗存则完全缺乏明确的背景信息,尽管出土了大量保存完好的遗物,但无法确定其对应的人类活动类型。
针对史前时期的研究对象包括陶器、燧石、天然石材、动物骨骼及孢粉样品。史前陶器主要出土了线性纹陶文化(Lineaire Bandkeramiek, LBK;公元前5100年-公元前4900年)的典型组合,同时也发现了米歇尔贝格文化(Michelsberg-cultuur, MK;公元前4200年-公元前3400年)及少量青铜时代的遗物。除青铜时代陶器外,其余均属于定居点废弃物,但未发现定居点常见的遗存组合模式。这些陶片不仅保存完好,且在多个集中出土的单元(独立编号的出土组)中,大量碎片可拼合(例如多件完整的器型剖面),且大多属于同一时期。由此可以推断,这些遗物在被冲入河道之前,原本就堆积在河道沿岸原位;结合此前重建的河道剧烈活化阶段——河道下切后迅速被沉积物掩埋——可知这些遗物通常也被快速覆盖,因此出土遗存大多得以保留原位。
燧石制品的研究则无法证明如此良好的保存状态或原位堆积,因为石质材料并不适合此类保存,且未发现明确的集中出土单元。不过本次研究已对部分中石器时代、新石器时代早期(公元前5100年-公元前4900年)及中石器时代晚期(公元前4200年-公元前2900年)的燧石制品进行了明确断代,但由于大部分遗物仅能进行宽泛断代,无法证明同一时期存在集中或集群的出土遗存。可以确定的是,燧石制品的组合模式也不符合定居点内的常见分布特征。
史前时期的天然石材制品,其年代似乎主要属于线性纹陶文化时期。除一件骨制工具外,仅发现了磨石碎片,其中3件的研磨面带有赭石(oker)残留物。与文献记载的案例不同——这类案例中赭石不仅涂抹在研磨面,还会涂抹在断裂面,被认为带有仪式性破碎与埋藏的意义——本次"Ligne"项目出土的磨石碎片,其断裂面未发现赭石残留物。
锡塔德"Ligne"遗址出土的保存完好的动物骨骼,其年代大多属于线性纹陶文化时期,包含原牛(oeros)、马鹿(edelhert)、野猪(everzwijn)、牛(rund)与猪(varken)。不过本次仅发现约40件遗存,且断代存在不确定性(从中石器时代至中石器时代晚期),因此无法得出明确结论。但可以确定的是,当时存在以畜牧与狩猎为基础的二元饮食经济。此外还发现了一件罕见的角制T形斧。
史前时期的少量孢粉样品,其年代处于首批农耕者到来之前:公元前7000年至公元前5000年。这一时期的区域植被为以椴树为主的(坡地)森林,由于常春藤、啤酒花及草本植物的存在,森林相对开阔;在河道沿岸则发育了以榆树、柳树为主的河漫滩森林。河漫滩森林沿岸可能交替分布着低矮的草本植被,包含睡菜(lisdodde)及绣线菊(moerasspirea)等物种。
针对中世纪及近代时期的研究对象包括陶器、玻璃、金属、天然石材、动物骨骼、皮革及植物大遗存。中世纪陶器的研究已得出明确断代结果,显示人类定居的鼎盛时期为中世纪盛期。如前所述,本次发掘还发现了少量中世纪早期的陶片,但无法与该时期的遗迹相关联。中世纪晚期及近代的陶器,可能分别仅通过施肥及城市垃圾的方式进入该区域。中世纪盛期的陶器组合是中世纪陶器中数量最多的一类,其显著特征是南林堡地区陶器占比极高——这类陶器产自邻近的欣费尔德(Schinveld)与布伦瑟姆(Brunssum)的制陶作坊。与北部同期遗址不同,本次发掘几乎未发现所谓"埃尔普特(Elmpter)"生产中心的陶器。关于这类陶器的装饰纹样的论述,为我们展现了中世纪社会普遍的思想观念图景。
针对金属与天然石材的研究涉及的出土遗物数量较少。天然石制品未发现特殊的生产工具,可复原的金属制品仅包括若干青铜胸针(fibulae)、葡萄藤柄饰件残片、若干钱币、铅弹及一块马蹄铁残件。此外还发现了金属片与铆钉,表明曾进行过金属器皿的修复工作,同时出土了熔融青铜块与金属炉渣,暗示存在不明的金属加工活动。
中世纪盛期的植物与动物遗存,反映了当时典型的农场饮食经济结构。水井出土的植物遗存包含谷物、亚麻、睡菜及甜菜,同时出土的杂草类植物表明当时曾种植谷物田与块根作物田。此外还发现了大量指示草原植被的植物遗存。最后,一处柱洞遗存中出土了炭化的葡萄种子与多粒炭化谷粒。动物骨骼几乎全部为家养哺乳动物,已无狩猎活动的痕迹。牲畜种类以牛为主,其次为猪;马、绵羊/山羊及狗也有发现,但占比极低。
本研究最终形成了一份综合的研究综述,将各分阶段研究成果进行关联整合,将各类数据重建为连贯完整的故事:讲述了一条河谷、其地貌演化与沿岸人类活动的历史——这条河流不仅为人类提供了水源与丰富的动植物资源,也在剧烈活动时期冲刷殆尽一切遗存。本综述还探讨了本次研究结果与解读相对于南林堡地区(尤其是锡塔德本地)同类考古研究的新增价值。综述之后,最终列出了研究结论与对研究课题的解答。
创建时间:
2024-01-31



